De rechtbank Overijssel behandelde de ontnemingsvordering van het Openbaar Ministerie (OM) tegen de veroordeelde V.O.F. voor overtreding van de Meststoffenwet door in 2020 meer fosfaat te produceren dan het fosfaatrecht toestond. De zaak betrof het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting daarvan.
Het OM vorderde ontneming van het voordeel over 2019 en 2020, maar werd niet-ontvankelijk verklaard voor 2019 omdat in de onderliggende strafzaak geen veroordeling volgde voor dat jaar. Voor 2020 stelde de rechtbank het voordeel vast op €42.401,31, gebaseerd op de hoeveelheid fosfaatoverschrijding en de leaseprijs van fosfaatrechten.
De veroordeelde voerde aan dat zij een kleinschalige, natuurvriendelijke melkveehouderij exploiteert en alles heeft gedaan om als knelgeval te worden erkend. De rechtbank erkende de omstandigheden, waaronder de late uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en de beperkte mogelijkheden om fosfaatrechten te kopen, en stelde daarom de betalingsverplichting op nihil vast uit billijkheidsoverwegingen.
De rechtbank oordeelde dat hoewel het opleggen van ontneming passend is bij financieel voordeel uit strafbaar feit, in dit concrete geval een lagere betalingsverplichting rechtvaardig en zinvol is. De veroordeelde wordt niet verplicht tot betaling van het vastgestelde voordeel, maar het bedrag blijft formeel vastgesteld.