Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2025:2512

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 april 2025
Publicatiedatum
23 april 2025
Zaaknummer
11587346 \ CV EXPL 25-799
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWBesluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming winkelpand wegens forse huurachterstand en veroordeling tot betaling huur en incassokosten

In deze kortgedingprocedure vordert eiser ontruiming van een winkelpand in Steenwijk dat door gedaagde wordt gehuurd, wegens een forse huurachterstand. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend. Eiser vordert tevens betaling van de achterstallige huur tot en met april 2025, de maandelijkse huur vanaf mei 2025 tot ontruiming, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de dagvaarding correct is betekend en de wettelijke termijnen zijn nageleefd. Het spoedeisend belang van eiser wordt erkend vanwege de oplopende huurachterstand, waardoor eiser niet kan worden geacht de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.

De vordering wordt toegewezen omdat gedaagde niet is verschenen en de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. De incassokosten worden toegewezen conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten, verminderd met een eerdere betaling van gedaagde. Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming binnen drie dagen na betekening, betaling van huurachterstand, lopende huur, incassokosten en proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van het winkelpand en betaling van huurachterstand, maandelijkse huur, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: 11587346 \ CV EXPL 25-799
Vonnis in kort geding van 23 april 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde], h.o.d.n. [bedrijf],
wonende in [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 april 2025;
- de mondelinge behandeling van 22 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is verschenen, vergezeld door de gemachtigde. [gedaagde] is niet verschenen.
1.2.
Tijdens de zitting is bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De beoordeling

Verstek
2.1.
[gedaagde], is hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. De voorzieningenrechter stelt vast dat bij het betekenen van de dagvaarding de wettelijke vereisten zijn nageleefd en dat de voorgeschreven termijnen en overige formaliteiten in acht zijn genomen. De voorzieningenrechter zal daarom verstek verlenen tegen [gedaagde].
Vordering2.2. [gedaagde] huurt van [eiser] een winkelpand aan de [adres] (hierna ook wel het gehuurde te noemen). [gedaagde] heeft een forse huurachterstand laten ontstaan. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [gedaagde] veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. [eiser] vordert daarnaast – na vermindering van eis ter zitting – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.000,00 aan huurachterstand (tot en met april 2025), de maandelijkse huurprijs van € 1.000,00 vanaf 1 mei 2025 tot de ontruiming, een bedrag van € 635,35 aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Hierop strekt in mindering een door [gedaagde] op 28 januari 2025 gedane betaling van € 330,00.
2.3.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. [eiser] vordert daarom in dit kort geding, vooruitlopend op een ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure, ontruiming van het gehuurde.
Spoedeisend belang
2.4.
De vordering in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat dit het geval is, alleen al omdat het gaat om een aanzienlijk hoge huurachterstand die steeds verder oploopt, zodat van [eiser] niet kan worden gevraagd om de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten.
Oordeel
2.5.
[gedaagde] is niet verschenen en zij heeft de vordering van [eiser] niet weersproken. De vordering komt de voorzieningenrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor. De vordering tot ontruiming van het gehuurde wordt daarom toegewezen.
2.6.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 635,25 worden toegewezen. Op grond van artikel 6:44 lid 1 BW Pro strekt de betaling van [gedaagde] van € 330,00 (eerst) in mindering op de incassokosten, zodat een bedrag van (€ 635,25 minus € 330,00 =) € 305,25 toewijsbaar is.
2.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.079,47

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser],
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser]:
a. a) € 6.000,00 aan achterstallige huur tot en met 30 april 2025,
b) € 1.000,00 per maand vanaf 1 mei 2025 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, eventueel te vermeerderen met huurverhoging,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 305,25 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.079,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2025. (dg)