De zaak betreft de exploitatievergunning die de burgemeester van Deventer heeft verleend aan McDonald’s Nederland B.V. voor het exploiteren van een McDonald’s aan twee aangrenzende panden in Deventer. Eisers, bestaande uit bewoners en eigenaren van nabijgelegen panden, zijn het niet eens met deze vergunning en hebben meerdere beroepsgronden aangevoerd.
De rechtbank heeft de beroepsgronden van beide eisersgroepen afzonderlijk beoordeeld. Eisers 1 voerden onder meer aan dat de omgevingsvergunning onrechtmatig was, dat het woon- en leefklimaat verslechtert door fietsparkeren, bezorgdiensten, verkeersdrukte, geur en fijnstof, en dat de exploitant slecht levensgedrag vertoont. Deze gronden zijn verworpen, mede omdat de omgevingsvergunning standhield, de voorschriften in de exploitatievergunning voldoende waarborgen bieden en er geen bewijs was voor slecht levensgedrag.
Eisers 2 stelden dat de vergunning onduidelijk was door het gebruik van Engelse termen, onjuiste adressering, onvolledig juridisch kader en onvoldoende toetsing aan volksgezondheid. Ook zij voerden aan dat de exploitant slecht levensgedrag vertoonde. De rechtbank verwierp deze gronden, oordeelde dat de vergunning voldoende duidelijk was, dat het toetsingskader adequaat was en dat de exploitant niet van slecht levensgedrag was gebleken. Wel kende de rechtbank aan eisers 2 een beperkte proceskostenvergoeding toe voor reiskosten.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en bevestigde dat de burgemeester de exploitatievergunning terecht heeft verleend, met inachtneming van de toepasselijke voorschriften uit de Algemene plaatselijke verordening Deventer en de Wet Bibob.