De zoon heeft op 24 mei en 10 juli 2022 respectievelijk €24.000,00 en €25.000,00 aan zijn ouders overgemaakt. De ouders gebruikten dit onder meer voor een vrachtwagen en keuken. De zoon stelt dat het om leningen gaat die terugbetaald moeten worden, terwijl de ouders het bedrag van €25.000,00 als schenking betwisten en zich beroepen op schuldeisersverzuim, overmacht en redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank oordeelt dat uit WhatsAppberichten blijkt dat de ouders het bedrag van €25.000,00 terug zouden betalen zodra de boerderij van hun dochter was verkocht. De boerderij is in mei 2023 verkocht, waarna de lening opeisbaar werd. Ook het bedrag van €24.000,00 is een lening die terugbetaald moet worden, minus reeds betaalde €1.800,00. Verweren van schuldeisersverzuim en overmacht worden verworpen omdat de ouders wel in staat waren te betalen.
De rechtbank wijst het beroep op redelijkheid en billijkheid af omdat de ouders onvoldoende feiten hebben gesteld die terugbetaling ineens onaanvaardbaar maken. De ouders worden veroordeeld om samen €47.200,00 plus wettelijke rente vanaf 7 maart 2024 terug te betalen. De veroordeling wordt niet hoofdelijk uitgesproken, waardoor ieder voor de helft aansprakelijk is. De ouders dragen de proceskosten.