ECLI:NL:RBOVE:2024:6930
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €504.812,00 van de veroordeelde, gebaseerd op feiten van medeplegen van drugshandel en witwassen.
Tijdens de openbare terechtzittingen heeft de verdediging onder meer aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege gerechtvaardigd vertrouwen dat ontneming niet meer werd gevorderd, vrijspraak in de hoofdzaak of overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering, omdat het onderzoek op de zitting was gestart en het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde deels was vrijgesproken en slechts veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, zonder concrete aanwijzingen dat voordeel was verkregen uit dit feit.
Daarom wees de rechtbank de vordering tot ontneming af wegens het ontbreken van concreet bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel. De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij één rechter niet kon medeondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.