ECLI:NL:RBOVE:2024:6928
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onvoldoende bewijs
De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van €336.702,00 van de veroordeelde, gebaseerd op het medeplegen van handel in verdovende middelen en witwassen. De zaak werd behandeld tijdens drie zittingen in november en december 2024.
De verdediging verzocht afwijzing van de ontnemingsvordering vanwege de vrijspraak van het witwasfeit en het ontbreken van concreet bewijs voor het wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde werd vrijgesproken van het witwasfeit en veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van amfetamine.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat daadwerkelijk voordeel is verkregen uit het bewezen feit of andere strafbare feiten door de veroordeelde. Op grond hiervan werd de vordering tot ontneming afgewezen.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende bewijs.