ECLI:NL:RBOVE:2024:6927

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 december 2024
Publicatiedatum
23 december 2024
Zaaknummer
08-952618-17
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na deels vrijspraak

De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €400.787,00 van de veroordeelde, die was veroordeeld voor handel in harddrugs in de periode van 1 juni 2015 tot en met 6 juni 2016 en vrijgesproken voor witwassen.

Tijdens de zitting op 12 december 2024 betoogde de verdediging niet-ontvankelijkheid wegens overschrijding van de redelijke termijn en onduidelijkheid over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank verwierp het termijnverweer op grond van vaste jurisprudentie en overwoog dat overschrijding doorgaans wordt gecompenseerd door vermindering van het ontnemingsbedrag.

De rechtbank stelde vast dat het ontnemingsrapport twee componenten bevatte: een bedrag van €64.085,00 uit transacties vóór de bewezenverklaarde periode en €336.702,00 uit witwassen waarvoor de veroordeelde was vrijgesproken. Omdat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevatte dat voordeel was verkregen uit het bewezenverklaarde feit, wees de rechtbank de vordering tot ontneming af.

Het vonnis werd uitgesproken op 23 december 2024 door de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer strafzaken te Almelo.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende concrete aanwijzingen voor ontneming over het bewezenverklaarde feit.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-952618-17
Datum vonnis: 23 december 2024
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1964 in [geboorteplaats],
wonende aan de [adres]
, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.B.A. Kalk, advocaat in Enschede.

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 400.787,00.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 december 2024.
Standpunt van de officier van justitie
Op de zitting van 12 december 2024 heeft de officier van justitie verzocht om de vordering tot ontneming af te wijzen, omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op de zitting van 12 december 2024 op het volgende standpunt gesteld. Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming te worden verklaard vanwege de buitenproportionele overschrijding van de redelijke termijn. Indien de rechtbank van oordeel is dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming, moet de vordering worden afgewezen omdat niet concreet is vast te stellen of en in welke mate sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3.De beoordeling van de vordering

De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat overschrijding van de redelijke termijn in ontnemingszaken niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De overschrijding van de redelijke termijn wordt in de regel gecompenseerd door vermindering van het vastgestelde ontnemingsbedrag. [1] De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman.
Verder overweegt de rechtbank dat de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op voordeel dat zou zijn verkregen uit het medeplegen van de uitvoer van en handel in verdovende middelen (harddrugs) alsmede witwassen, zoals in de hoofdzaak onder feit 1 respectievelijk feit 2 is ten laste gelegd. [veroordeelde] is bij vonnis van 23 december 2024 vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Voor het onder feit 1 ten laste gelegde is [veroordeelde] veroordeeld, met dien verstande dat hij zich in de periode van 1 juni 2015 tot en met 6 juni 2016 aan de uitvoer van en handel in harddrugs heeft schuldig gemaakt.
De rechtbank leidt uit het ontnemingsrapport van 9 januari 2019 [2] af dat het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel bestaat uit twee componenten. De eerste component van het berekende voordeel bestaat uit een bedrag van € 64.085,00. Dit geldbedrag zou door [veroordeelde] in de periode van 30 april 2014 tot en met 21 augustus 2014 zijn verdiend als gevolg van het medeplegen van de uitvoer van en handel in harddrugs (in de hoofdzaak als feit 1 ten laste gelegd). De tweede component van het berekende voordeel bestaat uit een bedrag van € 336.702,00. Dit geldbedrag zou door [veroordeelde] zijn verdiend met het medeplegen van witwassen in de periode van 1 april 2014 tot en met 6 juni 2016 (in de hoofdzaak als feit 2 ten laste gelegd).
Over de eerste component overweegt de rechtbank dat deze betrekking heeft op transacties op de bankrekening van verdachte in het tijdvak vóór de bewezenverklaarde periode. Ten aanzien van de tweede component gaat het om een delict waarvoor verdachte integraal is vrijgesproken.
De rechtbank overweegt verder dat het dossier onvoldoende concrete aanwijzingen bevat dat voordeel is verkregen uit het feit waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld (de handel in harddrugs in de periode van 1 juni 2015 tot en met 6 juni 2016) of uit andere strafbare feiten die door hem zijn begaan, zodat op grond van artikel 36e, eerste en tweede lid Sr, geen wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de vordering tot ontneming moet worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. R.G.J. Gehring en
mr. T.M. Weeda, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Kuiper en mr. E.A.B. Kroeze, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2024.
Mr. R.G.J. Gehring is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, r.o. 3.21.
2.Het rapport “Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict” van 9 januari 2019, opgemaakt door verbalisant [verbalisant], p. 1827-1838.