ECLI:NL:RBOVE:2024:6820

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 december 2024
Publicatiedatum
19 december 2024
Zaaknummer
ak_24_4067
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10.37 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging begunstigingstermijn last onder dwangsom opslag grond- en afvalstoffen

Verzoekster, Rubber Verwerking Nederland B.V., heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een besluit van de Omgevingsdienst Twente waarin de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom werd verlengd tot 3 december 2024. Verzoekster betoogde dat deze termijn te kort was om aan de last te voldoen.

De voorzieningenrechter constateerde dat verzoekster spoedeisend belang had omdat bij niet tijdige naleving dwangsommen verbeurd worden. Hoewel de Omgevingsdienst bezwaren had vanwege brandgevaar, erkende de voorzieningenrechter dat verzoekster zelf de situatie heeft veroorzaakt. Toch is geoordeeld dat de termijn onvoldoende was om de last uit te voeren zonder dwangsommen te riskeren.

Op basis van de toelichting van verzoekster achtte de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de aard van het af te voeren materiaal de afvoer bemoeilijkt en verlenging noodzakelijk is. Daarom werd de begunstigingstermijn verlengd tot 1 februari 2025. Tevens werd bepaald dat de Omgevingsdienst het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden.

Uitkomst: De begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot 1 februari 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4067

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

Rubber Verwerking Nederland B.V., uit Enschede, verzoekster

en

Omgevingsdienst Twente, de Omgevingsdienst,

(gemachtigde: mr. A.M Jacobs en mr. R.J. Wiggers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster gericht tegen het besluit van de Omgevingsdienst van 19 november 2024, waarin de Omgevingsdienst de eerdere opgelegde last onder dwangsom van 18 oktober 2024, ambtshalve heeft gewijzigd, inhoudende dat de begunstigingstermijn van last 2 wordt verlengd tot en met 3 december 2024. Last 2 is daarmee komen te luiden:
Ná 3 december 2024 de opslag van grond- en afvalstoffen, zoals rubber, (rubbergelijkende) kunststoffen, banden en shreds e.d. enkel plaats te laten vinden in de opslagvakken of inpandig conform voorschrift 1.1.3. van de omgevingsvergunning van 18 oktober 2021 en conform tekening (bijlage 2a 19 april 2024 DEF (met projectnummer: [nummer]). De opslag van grond- en afvalstoffen moet plaatsvinden binnen de opslagvakken en worden beperkt tot 1 meter onder de bovenste rand van de keerwanden (van de laagste keerwand). Op het moment dat verzoekster stoffen en/of goederen afvoert, moet u hiervan afvoerbonnen (conform artikel 10.37 van de Wet milieubeheer) kunnen tonen aan het bevoegd gezag.
1.1
Verzoekster heeft op 25 november 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft uit het verzoek begrepen dat daarin enkel wordt verzocht de begunstigingstermijn (van last 2) te verlengen, omdat deze te kort is om aan de last te kunnen voldoen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft naar aanleiding van het verzoek de Omgevingsdienst verzocht aan te geven of zij bereid zijn de begunstigingstermijn te verlengen. De Omgevingsdienst heeft op 2 december 2024 kenbaar gemaakt daartoe niet bereid te zijn, gelet op – kort gezegd – het brandgevaar. Wel heeft de Omgevingsdienst zich desgevraagd bereid verklaard geen controle uit te voeren totdat op het verzoek is beslist.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] en de gemachtigden van de Omgevingsdienst.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster spoedeisend belang heeft bij een beoordeling van de voorzieningenrechter. Hierbij is allereerst van belang dat bij het niet tijdig voldoen aan de last, verzoekster per constatering een dwangsom van rechtswege verbeurt. De Omgevingsdienst heeft toegezegd geen controle uit te voeren totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist. Verzoekster heeft daarmee tot op heden nog geen dwangsommen verbeurd. Daar komt bij dat de begunstigingstermijn weliswaar inmiddels is verlopen, maar gelet op de uitspraak van de Afdeling [1] van 22 oktober 2014 [2] heeft de voorzieningenrechter de bevoegdheid om een eenmaal verstreken begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen. Met het indienen van het verzoek kan verzoekster dus alsnog bewerkstelligen dat de begunstigingstermijn voor de last wordt verlengd.
Inhoudelijke beoordeling
4. Het geschil spitst zich enkel toe op de lengte van de begunstigingstermijn.
4.1.
Volgens vaste rechtspraak [3] van de Afdeling komt aan het bestuursorgaan bij het bepalen van de lengte van de begunstigingstermijn enige vrijheid toe. Daarbij geldt bij het als uitgangspunt dat deze termijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn dient er toe de overtreder in de gelegenheid te stellen de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.
4.2.
Verzoekster heeft op zitting toegelicht welke stappen zij heeft ondernomen om te voldoen aan de last en waarom het niet haalbaar is gebleken binnen de gestelde begungstigingstermijn te voldoen aan de last. Het komt de voorzieningenrechter op basis van de toelichting van verzoekster niet onaannemelijk voor dat met de aard van het af te voeren materiaal de nodige obstakels zich voordoen bij het afvoeren daarvan en dat de termijn tot en met 3 december 2024 daarvoor te kort is (geweest). In wat de Omgevingsdienst op zitting naar voren heeft gebracht – onder meer over andere mogelijkheden van afvoer – ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding anders te oordelen.
4.3.
De voorzieningenrechter onderkent de zorgen van de Omgevingsdienst over het brandgevaar en verliest niet uit het oog dat verzoekster zelf deze situatie heeft laten ontstaan. Desondanks is de voorzieningenrechter op grond van wat hiervoor is overwogen van oordeel dat met de opgelegde begunstigingstermijn verzoekster onvoldoende gelegenheid is geboden de last uit te voeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. Verzoekster heeft op zitting aangegeven uiterlijk 1 februari 2025 te kunnen voldoen aan de last. Gelet op wat verzoekster hierover op zitting heeft verklaard, zoekt de voorzieningenrechter aansluiting bij deze datum en bepaalt zij dat de begunstigingstermijn van het besluit van 19 november 2024 wordt verlengd tot 1 februari 2025.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en bepaalt dat de begunstigingstermijn van het besluit van 19 november 2024 wordt verlengd tot 1 februari 2025.
6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de Omgevingsdienst het griffierecht moet vergoeden. Verzoekster heeft geen proceskostenformulier ingediend. Voor het vergoeden van de proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat de begunstigingstermijn van het besluit van 19 november 2024 wordt verlengd tot 1 februari 2025;
- bepaalt dat de Omgevingsdienst, het griffierecht van € 371,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C. Smitstra, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op:
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2860.