Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1-9;
- de brief waarin is medegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
3.De feiten
diverse splitsingen;
diverse verkopen;
diverse fusies.
wilde dit absoluut niet betalen. (..).
Daarnaast is [gedaagde 1] bij deze vonnissen (uitvoerbaar bij voorraad) veroordeeld uit hoofde van onverschuldigde betaling tot het betalen van € 842.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente, omdat de curator de verkoop en levering van een perceel recreatiegrond rechtsgeldig heeft vernietigd. Het ging hier om een perceel recreatiegrond aan de Zwolseweg in Heino. [gedaagde 1] heeft dat perceel in mei 2012 voor € 842,500,00 verkocht aan [bedrijf 4] B.V. terwijl de daadwerkelijke marktwaarde (€210.000) veel lager was hetgeen [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank moet hebben geweten.
Aan dit oordeel heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] niet alleen persoonlijk betrokken is geweest bij de constructie pachtgelden buiten [bedrijven] te houden, maar dat dat ook zijn opzet was. Overwogen wordt dat [gedaagde 1] daarnaast bezig was op nog veel grotere schaal dan alleen met betrekking tot de pachtgelden vermogensbestanddelen aan [bedrijven] te onttrekken; activa en rechten op activa werden zoveel mogelijk overgeheveld naar buiten het [bedrijven] -concern staande entiteiten, terwijl in veel gevallen schulden en verplichtingen in dat concern bleven. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs heeft moeten weten dat het ertoe zou (kunnen) leiden dat de schuldeisers van die vennootschappen - waaronder [bedrijf 3] B.V. - geen verhaal zouden vinden voor hun vorderingen. Hem kan daarom een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, zo oordeelt de rechtbank.
4.Het geschil
5.De beoordeling
willens en weten om de Rabobank van de huid te houden” en dat “
onze nadrukkelijke visie is, dat we dit het gedaan hebben om Rabobank van de huid te houden is, om haar credit base zo beperkt mogelijk te laten zijn”. Hieruit blijkt dat [gedaagde 1] wist dat het doel van de onttrekkingsconstructie (door [gedaagde 1] aangeduid als ‘structuurwijziging’) was om de verhaalsmogelijkheden van veruit de grootste crediteur, Rabobank, te beperken. Daarnaast heeft [naam 2] verklaard dat het [gedaagde 1]’ doel was om [bedrijf 2] (waar op dat moment vrijwel het gehele actief van [bedrijven] zich bevond) als lege huls achter te laten. Hieruit volgt dus onmiskenbaar dat [gedaagde 1] de bedoeling had om schuldeisers van [bedrijven] te benadelen.