ECLI:NL:RBOVE:2024:5155

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2024
Publicatiedatum
7 oktober 2024
Zaaknummer
11081624 \ CV EXPL 24-1645
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:60 BWArt. 7:61 BWArt. 7:77 lid 1 sub c BWArt. 4:34 Wft
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens niet-rechtsgeldige vervroegde opeising consumentenkrediet

BNP Paribas Personal Finance B.V. vordert betaling van een geldlening met rente van gedaagde die niet tijdig de termijnbedragen heeft voldaan. BNP stelt dat zij heeft voldaan aan de kredietwaardigheidstoets en informatieplicht, maar de rechtbank constateert dat niet alle verplichte informatie conform artikel 7:61 BW Pro in de kredietovereenkomst is opgenomen.

De kantonrechter oordeelt dat BNP de informatieplicht heeft geschonden, maar laat de sanctionering achterwege omdat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd is opgeëist. Het vervroegd opeisen is gebaseerd op een beding in de algemene voorwaarden dat niet voldoet aan de wettelijke eisen van artikel 7:77 BW Pro, waardoor het beding niet toegestaan is.

Daarom loopt de kredietovereenkomst nog door onder dezelfde voorwaarden en is de vordering van BNP niet opeisbaar. BNP wordt veroordeeld in de proceskosten, terwijl de kosten aan de zijde van gedaagde nihil worden begroot.

Uitkomst: De vordering van BNP Paribas wordt afgewezen omdat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd is opgeëist.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 11081624 \ CV EXPL 24-1645
Vonnis van 25 juni 2024
in de zaak van
de besloten vennootschap
BNP PARIBAS PERSONAL FINANCE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij, hierna te noemen BNP,
gemachtigde: Jongejan & Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde],
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
BNP heeft bij dagvaarding gevorderd [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 4.424,78, (bestaande uit een bedrag van
€ 4.460,03 aan hoofdsom en een bedrag van € 414,75 aan rente, verminderd met € 450,00 aan betaling), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.460,03 vanaf 24 april 2024 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
2.2.
Ter onderbouwing van die vordering heeft BNP gesteld dat zij aan [gedaagde] een geldlening heeft verstrekt ten bedrage van € 7.219,20, inclusief kredietvergoeding. Volgens BNP is [gedaagde] jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de geldleningsovereenkomst doordat [gedaagde] termijnbedragen niet tijdig heeft betaald.
2.3.
BNP heeft het ESIC-formulier overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft voldaan aan artikel 7:60 BW Pro. Ook heeft zij de stukken overgelegd die zijn in het kader van de kredietwaardigheidstoets van [gedaagde] heeft opgevraagd. Hieruit blijkt dat BNP heeft voldaan aan haar kredietwaardigheidstoets van artikel 4:34 Wft Pro.
2.4.
Ten aanzien van de informatieplicht van artikel 7:61 BW Pro overweegt de kantonrechter als volgt. Niet is gebleken dat alle verplichte informatie is opgenomen in de kredietovereenkomst zelf, zoals wettelijk verplicht. Dit ziet op de informatie genoemd in artikel 7:61 lid 2 onder Pro e, j, m, n, q, r en s BW. De kantonrechter is van oordeel dat BNP deze plicht heeft geschonden. Hij zal de sanctionering hierop echter in dit geval achterwege laten. Zoals hierna zal worden overwogen blijkt namelijk dat de overeenkomst nog doorloopt en [gedaagde] dus nog steeds de maandelijkse termijnen moet voldoen en dus niet verplicht is om het krediet ineens terug te betalen.
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd is opgeëist. De grondslag hiervoor is namelijk artikel 6c van de algemene voorwaarden en dit beding is een niet toegestaan beding als bedoeld in artikel 7:77 lid 1 onder Pro c sub 1 BW. In het betreffende beding is namelijk niet opgenomen dat de achterstand moet zien op één vervallen termijn die vervolgens twee maanden achterstallig is. Ook is in dit beding niet opgenomen dat bij een dergelijke achterstand het krediet vervroegd kan worden opgeëist. BNP heeft in de dagvaarding gesteld dat zoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij artikel 7:77 BW Pro en daarom eenvoudige bewoording heeft gebruikt in het beding. Dit maakt het oordeel echter niet anders. De hiervoor genoemde afwijking is simpelweg niet toegestaan in de wet en ziet overigens niet op een louter grammaticale afwijking van de wet. Omdat BNP zich hierover al heeft uitgelaten in de dagvaarding, hoeft zij niet de gelegenheid te krijgen op dit oordeel te reageren.
2.6.
De conclusie is dan ook dat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd is opgeëist. Dit betekent dat de grondslag van de vordering is komen te vervallen, de kredietovereenkomst nog onder dezelfde voorwaarden doorloopt en de vordering zal worden afgewezen.
2.7.
BNP zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt BNP tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2024. (SK)