Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
(primair), dan wel dat verdachte daaraan medeplichtig is geweest
(subsidiair), althans dat verdachte de (poging tot) moord/doodslag op [slachtoffer] samen met (een) ander(en) heeft voorbereid
(meer subsidiair);
3.De voorvragen
- feit 1: poging moord c.q. voorbereidingshandelingen daartoe, gepleegd in de periode van 1 november 2021 tot en met 4 januari 2022 in Nederland en/of de Dominicaanse Republiek;
- feit 2: deelname aan een criminele organisatie, gedurende de periode 1 januari 2021 tot en met heden in Nederland.
71-118756-23.
71-118756-23 door Nederland gegeven.
4.De bewijsmotivering
[medeverdachte 4]
[medeverdachte 3]
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
medeplegen van poging tot moord;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º;
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
.Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een (categorie III) pistool (in een woning) is vier maanden gevangenisstraf per wapen. Omdat op één van de aangetroffen pistolen een vuurregelaar was bevestigd, valt dat pistool onder categorie II, waarbij het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van dat (automatisch) vuurwapen twaalf maanden gevangenisstraf is. Er zijn drie pistolen aangetroffen, waarvan één als categorie III dient te worden aangemerkt, wat tot een gevangenisstraf van 20 maanden zou moeten leiden. Daar is de aangetroffen munitie dan nog niet bijgerekend.
8.De schade van benadeelde
€ 105.651,90 [honderdvijfduizend zeshonderdeenenvijftig euro en negentig eurocent], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
medeplegen van poging tot moord;
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º;
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) jaren;
wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (parketnummer 71-064350-22 onder 1 primair)
toetot een bedrag van
€ 75.627,--(bestaande uit € 627,-- materiële schade en € 75.000,-- immateriële schade);
€ 75.627,--(te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2022) met dien verstande dat als en voor zover al door een ander/anderen (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het onder parketnummer 71-064350-22 onder 1 primair bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 75.627,--(zegge: vijfenzeventig duizend zeshonderdzevenentwintig), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
365 dagenkan worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan). Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;