ECLI:NL:RBOVE:2024:3566

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
5 juli 2024
Zaaknummer
C/08/296923 / HA ZA 23-195
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering ex-partner tot andere verdeling ouderdomspensioen

De vrouw vordert een andere verdeling van het ouderdomspensioen dan vastgelegd in het echtscheidingsconvenant met de man. Zij stelt dat de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding van toepassing is en dat partijen niet hebben uitgesloten dat het pensioen wordt verevend. De man betwist dit en verwijst naar een afwijkende afspraak in het convenant en een door partijen ondertekend formulier aan het ABP.

De rechtbank heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld een getuige te horen, maar deze beroept zich op het verschoningsrecht, waardoor de vrouw haar stelling niet heeft kunnen bewijzen. De rechtbank volgt daarom de tekst van het convenant, waarin een afwijkende regeling is opgenomen die correct aan het ABP is gemeld.

Het feit dat het ABP deze afspraak administratief niet kon verwerken, maakt de afspraak niet ongeldig. De rechtbank concludeert dat de man niet stilzwijgend heeft ingestemd met de standaardregeling. De vorderingen van de vrouw worden afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de vrouw af en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer : C/08/296923 / HA ZA 23-195
Vonnis van 3 juli 2024
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. de Jonge te Apeldoorn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn.

1.De procedure

1.1.
Bij vonnis van 20 maart 2024 heeft de rechtbank de vrouw in de gelegenheid gesteld om als getuige te horen mr. [getuige], advocaat.
1.2.
De rechtbank heeft daarna kennis genomen van:
- een B16-formulier van 13 mei 2024 met bijlage van de zijde van de vrouw;
- een B16-formulier van 15 mei 2024 van de zijde van de man;
- een akte van 29 mei 2024 van de zijde van de vrouw, en
- een antwoordakte van 11 juni 2024 van de zijde van de man.
1.3.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

De rechtbank neemt over hetgeen hierover in het tussenvonnis van 20 maart 2024 staat vermeld.

3.De nadere standpunten

3.1.
De vrouw geeft aan dat mr. [getuige] zich beroept op het verschoningsrecht en daarom niet als getuige zal worden gehoord. De vrouw benadrukt dat zij geen afstand heeft gedaan en heeft willen doen van haar deel van het ouderdomspensioen van de man. Los van de inhoud van het convenant en de bedoeling van partijen destijds is belangrijk dat artikel 2 van Pro de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding bepaalt dat toepasselijkheid van de wet moet worden uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of echtscheidingsconvenant. Dit is niet gebeurd. Partijen hebben afgesproken dat wel wordt verevend en zij hebben een afwijkende afspraak gemaakt over het eerste moment van uitbetaling. Omdat het ABP dit administratief niet kon verwerken, vallen partijen terug op de standaardregeling. De man heeft niet gereageerd op de brief van het ABP en daarmee stilzwijgend ingestemd met de standaardregeling.
3.2.
De man geeft aan dat de vrouw niet in haar bewijs is geslaagd zodat haar vorderingen moeten worden afgewezen. Ten overvloede benadrukt de man dat partijen hebben afgesproken dat, vanaf het moment dat de man de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt tot aan de datum waarop de vrouw de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de vrouw 0% van het door de man opgebouwde ouderdomspensioen ontvangt. In het door partijen ondertekende en aan het ABP toegezonden formulier staat ook aangekruist dat partijen een andere regeling dan de standaardregeling wensen. Dit formulier is tijdig naar het ABP gezonden. Het enkele feit dat het ABP de afspraak niet administratief kan verwerken maakt de afspraak tussen partijen niet ongeldig. De man betwist dat hij stilzwijgend heeft ingestemd met de standaardregeling.

4.De verdere beoordeling

4.1.
In het tussenvonnis van 20 maart 2024 heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw de door haar gestelde uitleg van het convenant moet bewijzen. De vrouw is daartoe in de gelegenheid gesteld door het horen van mr. [getuige] als getuige maar zij heeft afgezien van het getuigenverhoor omdat mr. [getuige] heeft aangegeven zich op het verschoningsrecht te zullen beroepen. De rechtbank concludeert dat de vrouw de door haar voorgestane uitleg van het convenant niet heeft kunnen bewijzen. De rechtbank sluit daarom voor de uitleg van het convenant aan bij de tekst van het convenant. Deze tekst bevat een afwijking van de standaardregeling. Deze in het convenant opgenomen afwijkende afspraak is op de juiste wijze gemeld aan het ABP. Het enkele feit dat het ABP de afspraak niet administratief kon verwerken maakt de afspraak niet ongeldig en kan evenmin leiden tot de conclusie dat de man (stilzwijgend) alsnog zou hebben ingestemd met de standaardregeling. De rechtbank zal daarom de vorderingen van de vrouw als onvoldoende onderbouwd afwijzen en de proceskosten compenseren omdat partijen ex-echtgenoten zijn.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van de vrouw af;
5.2.
compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2024 in tegenwoordigheid van J.C. Bouman als griffier.
(BJ(O)