Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats 1],
1.de vennootschap onder firma [gedaagde 1],gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats 2],
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
een ongeval dat door of tijdens de uitoefening van betaalde arbeid plaatsvindt, met uitzondering van een ongeval dat plaatsvindt onderweg van of naar het werk of dat is veroorzaakt door schuld of toedoen van de werknemer.” Het ongeval van [eiser] valt hier naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter onder. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden is uitgegleden en van de trailer is gevallen. De val is dus tijdens de uitoefening van het werk gebeurd en niet gesteld of gebleken is dat sprake is van de twee in de cao-bepaling genoemde uitzonderingen. [eiser] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij sindsdien klachten heeft aan zijn schouder waarvoor hij zich eerst in november 2023 arbeidsongeschikt heeft gemeld. [eiser] heeft ook uitgelegd dat hij eerst heeft geprobeerd om door te werken met behulp van pijnbestrijding en door langer verlof te nemen. [gedaagden] heeft daar geen concreet verweer tegen gevoerd. Het enkele feit dat de arbeidsinspectie niet is ingeschakeld naar aanleiding van het bedrijfsongeval, zoals [gedaagden] heeft betoogd, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. In dit kort geding is dan ook voldoende aannemelijk dat de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van het bedrijfsongeval.