Uitspraak
[overledene],
1.Samenvatting
2.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Overijssel
Deze zaak betreft een geschil over de vraag of een bedrag van € 45.000,- door de overleden vader aan zijn zoon in privé is uitgeleend, of aan diens onderneming, die inmiddels failliet is verklaard. De executeur-testamentair vordert betaling van rente en incassokosten op basis van een leenovereenkomst die zou bevestigen dat de lening aan de zoon persoonlijk is verstrekt.
De zoon betwist dat hij persoonlijk geld heeft ontvangen en stelt dat de lening aan zijn B.V. is verstrekt, zoals ook blijkt uit de jaarrekening en de faillissementsprocedure. De rechtbank stelt vast dat het geld daadwerkelijk is uitgeleend, maar dat onvoldoende is onderbouwd dat dit aan de zoon privé is gebeurd. De leenovereenkomst alleen is niet voldoende bewijs zonder concrete aanwijzingen van daadwerkelijke geldverstrekking.
De rechtbank wijst daarom de vordering af. Vanwege de familierelatie compenseert de rechtbank de proceskosten, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken door de kantonrechter op 18 juni 2024.
Uitkomst: De vordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat het geld aan de zoon in privé is uitgeleend.