ECLI:NL:RBOVE:2024:2994

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
6 juni 2024
Zaaknummer
84.115634.22 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillissementsfraude door bestuurder van rechtspersoon door niet voldoen aan administratieplicht

Op 6 juni 2024 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als bestuurder van de failliet verklaarde rechtspersoon [bedrijf 1] B.V. is beschuldigd van het opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte in de periode van 12 mei 2017 tot en met 3 april 2019 niet de vereiste administratie heeft gevoerd, wat heeft geleid tot een bemoeilijking van de afhandeling van het faillissement. De verdachte is schuldig bevonden aan het niet voldoen aan de administratieplicht, ondanks dat hij zich had beroepen op een taakverdeling met zijn broer, die ook als bestuurder fungeerde. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte, als bestuurder, verantwoordelijk was voor de algemene gang van zaken en de administratie van de rechtspersoon. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis, en heeft daarbij rekening gehouden met de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de rol van de verdachte in de onderneming. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van medeplegen en voor de periode na 19 februari 2019, toen hij geen bestuurder meer was.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 84.115634.22 (P)
Datum vonnis: 6 juni 2024
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 mei 2024.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte als bestuurder van de later failliet verklaarde [bedrijf 1] B.V. in de periode van 12 mei 2017 tot en met 3 april 2019 opzettelijk niet heeft voldaan en/of bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken en bescheiden, waardoor de afwikkeling van het faillissement is bemoeilijkt.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., welke op 3 april 2019
door de Rechtbank Overijssel in staat van faillissement is verklaard,
tijdens of voor het faillissement van de rechtspersoon,
te weten op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 mei 2017 tot
en met 3 april 2019 te Overdinkel, gemeente Losser, in elk geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), en/of alleen,
(telkens) opzettelijk,
niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke
verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de
daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge
waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt,
immers heeft hij, verdachte, niet de (gehele) administratie, waaronder:
- een inkoopadministratie (DOC-001-01, p. 7 en AD-001-01, p. 26), en/of
- een voorraadadministratie (DOC-001-01, p. 7 en AD-001-01, p. 26), en/of
- een kasadministratie (DOC-001-01, p. 7, AD-001-01, p. 26 en AMB-003, p. 4), en/of
- een bankadministratie (DOC-001-01, p. 7 en AD-001-01, p. 26), en/of
- een verkoopadministratie (DOC-001-01, p. 7 en AD-001-01, p. 26), en/of
- een financiële administratie zoals een jaarrekening, kolommenbalans en winst- en
verliesrekening (DOC-001-01, p. 7, AD-001-01, p. 26 en AMB-003, p.4), en/of
- een aangifte vennootschapsbelasting over 2017/2018 (DOC-001, p. 5), en/of
- de aangiften omzetbelasting over 2017, 2018 en 2019 (DOC-001, p. 5 en AMB-003,p. 4), en/of
- een crediteuren- en debiteurenlijst (AD-001-01,p. 26 en AMB-003, p. 5), en/of
- mailcorrespondentie (AD-001-01, p. 26 en AMB-003, p. 5), en/of
- aandeelhouders- en/of bestuursbesluiten (AD-001-01, p. 26 en AMB-003, p. 5),
gevoerd en/of laten voeren en/of bewaard en/of laten bewaren.
3. De bewijsmotivering [1]
3.1.
Inleiding en aanleiding onderzoek
Verdachte is als volgt gelieerd aan de onderneming [bedrijf 1] B.V. (hierna [bedrijf 1]).
Op 12 mei 2017 is [bedrijf 1] opgericht met als bestuurder [bedrijf 2] B.V. [2]
[bedrijf 2] B.V. is eveneens op 12 mei 2017 opgericht. Vanaf de oprichting tot 19 februari 2019 was verdachte bestuurder van [bedrijf 2] B.V. Vanaf 19 februari 2019 was zijn broer/
medeverdachte [medeverdachte] (hierna [medeverdachte]) bestuurder van [bedrijf 2] B.V. [3]
Op 3 april 2019 is [bedrijf 1] failliet verklaard. In het faillissement van [bedrijf 1] werd mr. [curator] als curator aangesteld. [4] Op 17 maart 2021 heeft de curator aangifte gedaan tegen verdachte en [medeverdachte] van vermoedelijke faillissementsfraude. De Belastingdienst/FIOD heeft naar aanleiding van deze aangifte een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen verdachte en [medeverdachte] als zijnde de (middellijke) bestuurders.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Administratieplicht
Ten aanzien van de administratieplicht is in artikel 2:9 en 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (verder BW), voor zover hier relevant, opgenomen dat:
- elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak;
- elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken;
- het bestuur verplicht is van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend; en
- het bestuur verplicht is de in de leden 1 en 2 bedoelde boeken, bescheiden en andere gegevensdragers gedurende zeven jaren te bewaren.
De rechtbank overweegt hierover als volgt.
De curator heeft verklaard dat hij op basis van de afgegeven administratie niet de rechten en verplichtingen van [bedrijf 1] kon vaststellen. Pas na aansprakelijkheidstelling van verdachte en [medeverdachte] zijn – middels tussenkomst van een advocaat – twee ordners met financiële stukken aan de curator overhandigd. De afwikkeling van het faillissement van [bedrijf 1] werd bemoeilijkt, omdat er te weinig informatie was, aldus de curator. Zo ontbraken inkoopfacturen, een kasboek, grootboek, en een balans/ winst- en verliesrekening. [5]
Na een boekenonderzoek, kwam ook de Belastingdienst tot de conclusie dat niet werd voldaan aan de administratieplicht.
In voornoemde twee ordners zaten slechts een aantal inkoop- en commissiefacturen van [bedrijf 1], terwijl de administratie op zijn minst de volgende onderdelen
zou moeten bevatten: een inkoopadministratie, een voorraadadministratie, een kasadministratie, een bankadministratie, een verkoopadministratie, een administratie t.b.v. vastleggingen voor de administratieve verplichtingen t.a.v. omzetbelasting.
Deze administratie ontbrak nagenoeg geheel, aldus de Belastingdienst. [6]
Geen medeplegen, maar wel verantwoordelijk als bestuurder
De rechtbank overweegt dat verdachte, als bestuurder van [bedrijf 1], de verantwoordelijkheid droeg voor de algemene gang van zaken bij de rechtspersoon en daarmee ook voor het op een zodanige wijze (laten) voeren van een administratie dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon duidelijk zijn. Op grond van voormelde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat dat niet (volledig) is gebeurd.
Er is vrijwel geen administratie gevoerd. De afhandeling van het faillissement van [bedrijf 1], die op 3 april 2019 is gevolgd, is hierdoor bemoeilijkt. Door een onvolledige administratie is het voor een curator immers over het algemeen onmogelijk om correct vast te kunnen stellen welke baten er zijn en onder wie die moeten worden verdeeld. Ook het kunnen onderkennen van eventuele onregelmatigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade op te heffen of te verminderen, wordt door dergelijke handelen ernstig bemoeilijkt dan wel gefrustreerd.
Uit het dossier volgt dat verdachte en zijn broer [medeverdachte] gezamenlijk [bedrijf 1] hebben opgericht en hierbij een specifieke taakverdeling hebben afgesproken. Verdachte werkte destijds fulltime bij een ander bedrijf ([bedrijf 3]). Het was de intentie van de broers om van [bedrijf 1] een goed lopende onderneming te maken, zodat verdachte uiteindelijk zijn baan bij [bedrijf 3] kon opzeggen en ook volledig binnen [bedrijf 1] werkzaam kon zijn. De (enkele) rol van verdachte was het benaderen van potentiële klanten en het inplannen van afspraken. [medeverdachte] was verantwoordelijk
voor het reilen en zeilen van het bedrijf en daartoe behoorde ook het voeren van de administratie. [7] Gelet op deze specifieke rolverdeling en de feitelijk verrichtte werkzaamheden door verdachte, kan naar het oordeel van de rechtbank geen (nauwe en bewuste) samenwerking worden vastgesteld ten aanzien van het tenlastegelegde feit. Ten aanzien van de administratie heeft verdachte zich geheel afzijdig gehouden. De broers hebben hierover nauwelijks met elkaar gecommuniceerd. De rechtbank zal daarom verdachte voor dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.
Dit neemt evenwel niet weg dat – zoals hiervoor al is benoemd – het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe ook het financiële beleid en meer in het bijzonder de administratieplicht zoals benoemd in artikel 2:10 BW behoort, een zaak is van het gehele bestuur. Ondanks het meerhoofdig bestuur en voornoemde taakverdeling, bleef verdachte individueel verantwoordelijk voor het (laten) voeren van een deugdelijke administratie. De rechtbank merkt verdachte aldus wel als pleger van het tenlastegelegde feit aan.
Opzet
Verdachte heeft ter zitting verklaard geen opzet te hebben gehad op het niet voldoen aan de administratieplicht. Zoals voortvloeit uit voornoemde afgesproken rolverdeling, heeft hij zich in het geheel niet bezig gehouden met dit onderdeel van de bedrijfsvoering en alles dienaangaande – in goed vertrouwen – volledig overgelaten aan zijn broer. [8]
De rechtbank overweegt het volgende. Dat verdachte – naar eigen zeggen – niets heeft geweten van de onregelmatigheden van de administratie, ontslaat verdachte niet van zijn voornoemde verplichting als bestuurder ex artikel 2:10 BW en de plicht tot adequaat toezicht en controle op de administratievoering door zijn broer en de door zijn broer ingeschakelde boekhouder. Verdachte heeft nagelaten zich te vergewissen van de juistheid van de boekhouding en heeft ten onrechte vertrouwd op de deugdelijkheid van de werkzaamheden van zijn broer. Ook vanaf het moment dat hij persoonlijk aansprakelijk werd gesteld door een klant/schuldeiser van [bedrijf 1] en in dat kader beslag op zijn huis werd gelegd, heeft verdachte geen actie ondernomen. Hij heeft genoegen genomen met de uitlating van zijn broer dat het wel goed zou komen. Verdachte heeft nimmer inzage gevraagd in de boekhouding. Ook heeft verdachte geen contact opgenomen met de boekhouder of op andere wijze zich actief ingespannen om de situatie in kaart te brengen. [9] Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte een vooropleiding heeft genoten in handel en administratie, dus wist van de administratieplicht van een onderneming en zijn verantwoordelijkheid als bestuurder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zo te handelen minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet werd voldaan aan de administratieplicht.
Pleegperiode
Verdachte heeft zich met ingang van 19 februari 2019 als bestuurder van [bedrijf 2] B.V. uitgeschreven en was vanaf die datum dus geen bestuurder meer van [bedrijf 1]. Hij heeft vanaf die datum ook feitelijk geen werkzaamheden meer verricht voor [bedrijf 1]. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken voor de periode vanaf 19 februari 2019 tot en met 3 april 2019.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen met uitzondering van het medeplegen en voornoemde periode.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij, als bestuurder van de rechtspersoon [bedrijf 1] B.V., welke op 3 april 2019door de Rechtbank Overijssel in staat van faillissement is verklaard,voor het faillissement van de rechtspersoon, te weten in de periode van 12 mei 2017 toten met 3 april 2019 opzettelijk, niet heeft voldaan aan en/of heeft bewerkstelligd dat werd voldaan aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en/of het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement werd bemoeilijkt, immers heeft hij, verdachte, niet de (gehele) administratie, waaronder:- een inkoopadministratie en- een voorraadadministratie en- een kasadministratie en- een bankadministratie en- een verkoopadministratie en- een financiële administratie zoals een jaarrekening, kolommenbalans en winst- enverliesrekening gevoerd en/of laten voeren en/of bewaard en/of laten bewaren.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 344a lid 2 sub 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren. Hoewel volgens de officier van justitie sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, kan met de constatering hiervan worden volstaan.
6.2
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich niet gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht een volledige en deugdelijke administratie te voeren. Als gevolg hiervan was het voor de curator onmogelijk om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen, terwijl het maatschappelijke en economische verkeer verlangt dat faillissementen voortvarend en efficiënt worden afgewikkeld. Het handelen van de verdachte heeft ook kwalijke gevolgen. De schuldeisers van [bedrijf 1], waaronder de Belastingdienst, lijden financiële schade en het werk van de curator is in aanzienlijke mate bemoeilijkt. Dit alles neemt de rechtbank verdachte kwalijk, temeer nu van hem als bestuurder professioneel, zorgvuldig en adequaat handelen mocht worden verwacht.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 28 februari 2024 waaruit volgt dat hij niet eerder is veroordeeld.
Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen.
In tegenstelling tot de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat verdachte aan zijn verhoor op 19 oktober 2021 nog niet in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen verdachte strafvervolging zou worden ingesteld. Weliswaar is hem toen meegedeeld dat hij werd verdacht van overtreding van artikel 344a Sr, maar het was op dat moment voor verdachte nog niet duidelijk of strafvervolging zou worden ingesteld. Eerder dan de betekening van de inleidende dagvaarding op 3 oktober 2023 zijn naar het oordeel van de rechtbank geen handelingen aan te merken waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat strafvervolging zou worden ingesteld. Met een eindvonnis op 6 juni 2024 is dus geen sprake van schending van verdachtes recht op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM.
De rechtbank houdt bij bepaling van de staftoemeting – in het voordeel van verdachte – rekening met de (ingekorte) pleegperiode en de geringe rol van verdachte. Verder weegt de rechtbank mee dat verdachte ter terechtzitting verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en inmiddels werkzaam is in een andere branche.
Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden acht de rechtbank een lagere dan de geëiste straf passend en geboden en zal verdachte daarom een taakstraf opleggen voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.

7.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 22c en 22d, en 51 Sr.

8.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
als bestuurder van een rechtspersoon, voor het faillissement van de
rechtspersoon, terwijl dit is gevolgd, opzettelijk niet voldoen aan de wettelijke verplichtingen tot het voeren van een administratie en het bewaren van de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, ten gevolge waarvan de afhandeling wordt bemoeilijkt;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
100 (honderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
50 (vijftig) dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Pouw, voorzitter, mr. H. Stam en mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Broeks, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2024.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit pagina’s uit het dossier van de FIOD / Belastingdienst met nummer 69313, onderzoek [bedrijf 1] B.V. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 1] B.V. van 5 maart 2021, pagina 116, genummerd als DOC-004 en het proces-verbaal van bevindingen van 26 november 2021, pagina 16, genummerd als AD-001-01.
3.een geschrift, zijnde een uittreksel van de Kamer van Koophandel van [bedrijf 2] B.V. van 5 maart 2021, pagina 119, genummerd als DOC-005.
4.Een geschrift, zijnde een vonnis tot faillietverklaring van de Rechtbank Overijssel van 3 april 2019, pagina 101 en 102, genummerd als AG-001-01.
5.Het proces-verbaal van aangifte van de curator van 17 maart 2021, pagina’s 97 t/m 100, genummerd als AG-001.
6.Een geschrift, zijnde een controlerapport van de Belastingdienst van 28 oktober 2020, pagina‘s 109 t/m 111, genummerd als DOC-001.
7.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] van 18 oktober 2021, pagina 46, genummerd als V-001-01 en het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] van 19 oktober 2021, pagina 59, genummerd als V-002-01.
8.De verklaring van verdachte ter terechtzitting, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 23 mei 2024.
9.De verklaring van verdachte ter terechtzitting, zoals opgenomen in het proces-verbaal van de zitting van 23 mei 2024.