Verdachte heeft op 6 februari 2024 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. M.O. Frentrop, voorzitter van de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel, en later ook tegen de voltallige kamer, wegens vermeende vooringenomenheid in een strafzaak waarin verdachte betrokken is.
Het wrakingsverzoek betrof met name de late verzending van een e-mail namens de voorzitter, waarin werd aangekondigd dat tijdens de zitting van 6 februari 2024 opnieuw zou worden besproken of verdachte ter observatie naar het Pieter Baan Centrum (PBC) moest worden overgebracht. Verdachte vreesde dat de beslissing al genomen was en dat de e-mail slechts een formaliteit was.
De rechtbank overwoog dat rechters zich in elke fase van de procedure opnieuw moeten afvragen of zij voldoende geïnformeerd zijn om een beslissing te nemen, ook als een onderwerp eerder is besproken. De e-mail diende ter voorbereiding van partijen en impliceerde geen vooringenomenheid of reeds genomen besluit. De late verzending was geen reden voor objectieve vrees voor partijdigheid.
De wrakingskamer concludeerde dat het verzoek niet tijdig was ingediend tegen alle rechters, maar dat dit alsnog mocht worden gericht tegen de voltallige kamer vanwege onduidelijkheid. Uiteindelijk werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard omdat geen concrete feiten of omstandigheden waren die een objectieve vrees voor partijdigheid rechtvaardigden.
De beslissing werd op 12 maart 2024 uitgesproken door mrs. A. van Holten, C. Verdoold en E. Koster, waarna geen rechtsmiddel meer openstaat.