Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[eiser 1],
2.
[eiser 2],
1.De procedure
- de akte van [gedaagde] van 28 februari 2024.
Rechtbank Overijssel
Eiser 1 en gedaagde hadden tot juni 2020 een relatie en kochten samen een kavel om daarop een woning te bouwen. Eiser 2, vader van eiser 1 en aannemer, hielp bij de bouw. Na het beëindigen van de relatie bouwden eiser 1 en eiser 2 het huis af, waarbij eiser 2 kosten uit het bouwdepot haalde en daarnaast kosten voorschoot.
Eiser 2 vorderde vergoeding van gedaagde voor de helft van de materiaalkosten, maar de rechtbank stelde vast dat hij deze kosten onvoldoende had onderbouwd ondanks een herstelmogelijkheid. Daarom werden zijn vorderingen afgewezen en werd hij veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
De vordering van eiser 1 tot vergoeding van het aandeel van gedaagde in de hypotheeklasten werd toegewezen voor €10.000. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten tussen eiser 1 en gedaagde werden gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Gedaagde moet €10.000 aan eiser 1 betalen, vorderingen van eiser 2 worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.