Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
.
Rechtbank Overijssel
De rechtbank Overijssel behandelde de zaak van een 30-jarige man die werd verdacht van meervoudige verkrachting van een vrouw in de periode april tot september 2019. De officier van justitie vorderde een veroordeling, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte vanwege onvoldoende bewijs.
De rechtbank stelde vast dat de dagvaarding geldig was en dat zij bevoegd was de zaak te behandelen. Het bewijs bestond vooral uit de aangifte van het slachtoffer en een WhatsApp-gesprek waarin verdachte zijn spijt betuigde na een uiting van het slachtoffer. De rechtbank benadrukte dat volgens artikel 342 Sv Pro het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag berusten, maar steunbewijs vereist is.
De rechtbank oordeelde dat het dossier en de zitting onvoldoende steunbewijs bevatten om vast te stellen of en wanneer het seksueel binnendringen heeft plaatsgevonden. De WhatsApp-berichten konden niet aan het binnendringen worden gekoppeld. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van verkrachting.
De benadeelde partij vorderde een immateriële schadevergoeding van €20.000,-. De officier van justitie stelde voor dit deels toe te wijzen, maar de rechtbank verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk omdat het ten laste gelegde feit niet bewezen was. De vordering kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De uitspraak werd op 14 februari 2023 door de meervoudige kamer te Zwolle gewezen, waarbij de rechters W.W. van Tol, A. van Holten en A.J. de Loor betrokken waren.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs voor verkrachting; schadevordering niet-ontvankelijk verklaard.