ECLI:NL:RBOVE:2023:5342

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
28 december 2023
Zaaknummer
10381565 \ CV EXPL 23-558 en 10594829 \ CV EXPL 23-1497
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor gebrekkige vloercoating in vleesvarkensstal en vrijwaring door onderaannemers

In deze zaak hebben de eisende partijen, aangeduid als partij A c.s., partij B ingeschakeld om hun vleesvarkensstal van een vloercoating te voorzien. Partij B heeft op zijn beurt partij C.1 ingeschakeld voor de uitvoering van de werkzaamheden, terwijl partij C.1 partij C.2 heeft ingeschakeld om te helpen. De eisende partijen stellen dat de vloercoating gebrekkig is en vorderen betaling van de herstelkosten van partij B. De kantonrechter oordeelt dat partij B aansprakelijk is voor de gebreken en wijst de vordering van partij A c.s. toe. Partij B heeft partij C in vrijwaring opgeroepen, waarbij hij stelt dat partij C.1 tekortgeschoten is in zijn verplichtingen en dat partij C.2 onrechtmatig heeft gehandeld. De kantonrechter wijst de vordering van partij B tegen partij C.2 af wegens onvoldoende onderbouwing, maar wijst de vordering tegen partij C.1 toe, aangezien deze niet is verschenen en de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is. De procedure omvatte een mondelinge behandeling en de kantonrechter heeft de aansprakelijkheid van partij B bevestigd, evenals de toewijzing van de vorderingen van partij A c.s. en partij B tegen partij C.1. De proceskosten zijn toegewezen aan de partijen die in het gelijk zijn gesteld.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 10381565 \ CV EXPL 23-558 en 10594829 \ CV EXPL 23-1497
Vonnis van 5 december 2023
in de hoofdzaak met nummer 10381565 \ CV EXPL 23-558 van

1.[partij A.1] ,

te [vestigingsplaats] ,
2.
[partij A.2],
te [woonplaats 1] ,
3.
[partij A.3],
te [woonplaats 2] ,
4.
[partij A.4],
te [woonplaats 3] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [partij A] c.s. ,
gemachtigde: mr. B. Altena,
tegen
[partij B],
te [woonplaats 4] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
en in de vrijwaringszaak met nummer 10594829 \ CV EXPL 23-1497 van
[partij B],
te [woonplaats 4] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
1.
[partij C.1],
te [woonplaats 5] ,
niet verschenen,
2.
[partij C.2],
te gemeente [gemeente] ,
gemachtigde: mr. H.R. Flipse,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [partij C] .

1.Samenvatting

1.1.
[partij A] c.s. hebben [partij B] ingeschakeld om hun vleesvarkensstal van een vloercoating te voorzien. [partij B] heeft [partij C.1] ingeschakeld om de werkzaamheden uit te voeren en [partij C.1] heeft [partij C.2] ingeschakeld om hem daarbij te helpen.
1.2.
In de hoofdzaak stellen [partij A] c.s. dat de vloercoating gebrekkig is en vorderen betaling van de kosten van herstel (door vervanging) door [partij B] . [partij B] voert verweer. De kantonrechter oordeelt dat [partij B] aansprakelijk is tegenover [partij A] c.s. en wijst de vordering toe.
1.3.
[partij B] heeft [partij C] in vrijwaring opgeroepen. [partij B] stelt dat [partij C.1] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover hem en stelt dat [partij C.2] onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. [partij C.2] voert verweer. [partij C.1] is niet verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.
De vordering van [partij B] tegenover [partij C.2] wordt als onvoldoende onderbouwd afgewezen. De vordering tegenover [partij C.1] komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en wordt daarom toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 15 augustus 2023, waarbij in de hoofdzaak en vrijwaringszaak een mondelinge behandeling is bevolen,
- de door [partij B] op verzoek van de kantonrechter toegezonden algemene voorwaarden van [partij B] ;
- de mondelinge behandeling van 2 november 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Begin 2021 hebben [partij A] c.s. [partij B] ingeschakeld om hun vleesvarkensstal van een epoxy vloercoating te voorzien.
3.2.
[partij B] heeft [partij C.1] ingeschakeld om de werkzaamheden uit te voeren en [partij C.1] heeft [partij C.2] ingeschakeld om hem daarbij te helpen.
3.3.
Op 17 februari 2021 heeft [partij B] een factuur naar [partij A] c.s. gestuurd van € 11.998,00 inclusief btw, welke door [partij A] c.s. is betaald. Op de factuur staat:
“Garantie 3 jaar na faktuurdatum”
3.4.
Omstreeks mei 2021 begon de vloercoating los te laten.
3.5.
Per brief van 22 oktober 2021 hebben [partij A] c.s. [partij B] in gebreke gesteld en gesommeerd om de overeenkomst na te komen. Per brief van 30 november 2021 heeft de gemachtigde van [partij A] c.s. [partij B] gesommeerd om de gebreken te herstellen.
3.6.
Per brief van 9 december 2021 heeft de gemachtigde van [partij B] [partij C.1] in gebreke gesteld en gesommeerd om zijn aansprakelijkheid te erkennen en te bevestigen dat hij bereid is om de gebreken te herstellen en de gevolgschade voor zijn rekening te nemen.
3.7.
Per e-mail van 8 februari 2022 heeft de gemachtigde van [partij B] ook [partij C.2] aansprakelijk gesteld voor de (mogelijke) schade.
3.8.
Op 24 januari 2023 heeft Technisch Bureau Afbouw (hierna: TBA) de vloer(coating) onderzocht, in opdracht van [partij A] c.s. en [partij B] . [partij C.1] was hier ook bij aanwezig.
3.9.
Op 1 februari 2023 heeft TBA een rapport overgelegd van het onderzoek. In het rapport staat onder meer:
“Het is voor deskundige volstrekt duidelijk dat de (dekkende) laag epoxy vloercoating onthecht van de ondergrond. Of deze ondergrond is voorzien van een epoxy primer of niet, is door de aanwezige vervuiling tijdens de inspectie niet vast te stellen. De applicateur van de epoxy vloercoating ( [partij B] en z’n onderaannemers) zijn verantwoordelijk voor het creëren van een goede hechting van de vloerafwerking op de cementgebonden dekvloer en/of tussen de twee verschillende epoxy lagen (primer en coating). Tijdens de mijn waarnemingen/inspectie in de varkensstallen heb ik kunnen vaststellen dat het creëren van een goede hechting niet is gelukt.”
TBA begroot de kosten voor herstel (in de vorm van vervanging) op € 19.207,80 inclusief btw.
3.10.
TBA heeft een factuur van € 937,75 aan [partij A] c.s. gestuurd voor de helft van de kosten van haar werkzaamheden. [partij A] c.s. hebben de factuur betaald.
3.11.
Per e-mail van 7 februari 2023 heeft de gemachtigde van [partij A] c.s. [partij B] gesommeerd om de schade van € 19.207,80 te vergoeden.
3.12.
Per brief van 9 februari 2023 heeft de gemachtigde van [partij B] [partij C.1] gesommeerd om het bedrag van € 19.207,80 te betalen.

4.Het geschil

in de hoofdzaak
4.1.
[partij A] c.s. vorderen dat de kantonrechter [partij B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van:
een bedrag van € 19.207,80 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;
een bedrag van € 937,75 aan deskundigenkosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf vijftien dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
een bedrag van € 967,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf vijftien dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;
de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf vijftien dagen na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling.
4.2.
[partij A] c.s. stellen ter onderbouwing dat zij met [partij B] zijn overeengekomen dat hij de vloer van hun vleesvarkensstal van een coating zou voorzien. De werkzaamheden zijn uitgevoerd, maar de coating begon al binnen een half jaar los te laten. Volgens [partij A] c.s. is [partij B] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst en moet hij de schade die zij daardoor hebben geleden vergoeden. Bovendien heeft [partij B] een garantie van drie jaar op de vloercoating gegeven en moet hij deze garantie nakomen. De herstelkosten zijn door TBA begroot op € 19.207,80 inclusief btw. Volgens [partij A] c.s. moet [partij B] dit bedrag dan ook aan hen betalen. Daarnaast vorderen [partij A] c.s. vergoeding van de kosten die zij aan TBA hebben betaald. Dit zijn volgens haar namelijk redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.3.
[partij B] voert verweer. Hij concludeert dat [partij A] c.s. niet ontvankelijk moeten worden verklaard, dan wel dat hun vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [partij A] c.s. in de proceskosten.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in de vrijwaringszaak
4.5.
[partij B] vordert dat de kantonrechter [partij C] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt tot betaling van:
datgene waartoe hij als gedaagde in de hoofdzaak tegen [partij A] c.s. mocht worden veroordeeld, inclusief de kostenveroordeling;
de proceskosten en nakosten in de vrijwaringsprocedure.
4.6.
[partij B] stelt dat [partij C] de vloercoating hebben aangebracht bij [partij A] c.s. en dat zij dat niet op de juiste manier hebben gedaan, waardoor geen goede hechting is gecreëerd en de coating loslaat. Volgens [partij B] zijn [partij C] aansprakelijk tegenover hem voor de schade die hij daardoor lijdt. Deze schade bestaat volgens hem uit hetgeen hij eventueel aan [partij A] c.s. moet betalen in de hoofdzaak.
4.7.
[partij C.2] voert verweer. Hij concludeert dat [partij B] niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat zijn vorderingen moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] in de proceskosten.
4.8.
[partij C.1] is behoorlijk opgeroepen maar niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
4.9.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig voor de beoordeling van de vorderingen, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in de hoofdzaak
Hoofdsom
5.1.
[partij A] c.s. en [partij B] zijn het erover eens dat zij een overeenkomst hebben gesloten voor het coaten van de vloer in de vleesvarkensstal van [partij A] c.s. door [partij B] . [partij B] betwist niet dat de vloercoating gebrekkig is, maar voert aan dat hem niets te verwijten valt. [partij B] is zelf namelijk geen vloerenlegger. De vloer is aangebracht door [partij C] . Hij voert aan dat hij alleen de materialen aan [partij A] c.s. heeft verkocht en geleverd en dat er geen sprake is van een functioneel verband tussen de werkzaamheden van [partij C] en zijn eigen activiteiten. [partij C] zijn volgens hem niet zijn ondergeschikten en dus is hij niet aansprakelijk voor de door hen gemaakte fouten bij het aanbrengen van de coating. Op de mondelinge behandeling heeft [partij B] verklaard dat hij het materiaal ook niet zelf heeft besteld, maar dat [partij C.1] dat heeft gedaan. Volgens [partij B] is hij ook niet in verzuim geraakt, aangezien hij niet nalatig is geweest. Daarnaast voert [partij B] aan dat hij aansprakelijkheid voor gevolgschade heeft uitgesloten in zijn algemene voorwaarden.
5.2.
De kantonrechter volgt [partij B] niet in zijn verweer dat hij geen feitelijke bemoeienis had met het aanbrengen van de vloercoating en dat hij daarom niet verantwoordelijk is daarvoor. Op de door [partij B] verstuurde factuur staat:
‘Project; 601 m2 coating nieuwe varkensstal(…)
schuren, primeren, coaten voor’. Daaruit blijkt dat [partij B] het aanbrengen van de vloercoating als werk heeft aangenomen. Dat hij ervoor heeft gekozen om dit werk in onderaanneming te laten uitvoeren, doet niet af aan zijn eigen verantwoordelijkheid als hoofdaannemer tegenover [partij A] c.s. Dit blijkt uit artikel 7:751 BW en artikel 6:76 BW.
5.3.
Daarnaast overweegt de kantonrechter ten overvloede dat – zelfs al zou [partij B] gevolgd worden in zijn verweer dat hem niets te verwijten valt met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden – [partij B] expliciet garantie heeft verleend voor de werkzaamheden. Ook op die grond is [partij B] dus jegens [partij A] c.s. aansprakelijk voor de gebreken in de vloercoating.
5.4.
Gelet op het voorgaande gaat ook het verweer van [partij B] niet op dat hij niet in verzuim is geraakt omdat hij niet nalatig is geweest. [partij B] is op 22 oktober 2021 door [partij A] c.s. schriftelijk in gebreke gesteld. Aangezien hij de vloercoating niet heeft hersteld binnen de daarin gestelde termijn, is hij in verzuim geraakt.
5.5.
Het verweer van [partij B] dat hij aansprakelijkheid voor gevolgschade heeft uitgesloten in zijn algemene voorwaarden, wordt ook verworpen. [partij A] c.s. hebben ter zitting aangevoerd dat deze algemene voorwaarden niet van toepassing zijn verklaard bij het aangaan van de overeenkomst, maar pas na het werk, bij de factuur zijn toegezonden. De toepasselijkheid is door [partij A] c.s. niet geaccepteerd. [partij B] heeft daarop enkel aangevoerd dat er nooit discussie is geweest tussen partijen over de toepasselijkheid. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn op de overeenkomst die tussen partijen is gesloten. Bovendien hebben [partij A] c.s. gemotiveerd betwist dat er sprake is van gevolgschade. (De gemachtigde van) [partij B] heeft dat standpunt – hoewel de kantonrechter daarnaar heeft gevraagd op de mondelinge behandeling – niet weersproken.
5.6.
Aangezien aan de verweren van [partij B] voorbij wordt gegaan, staat naar het oordeel van de kantonrechter vast dat [partij B] aansprakelijk is voor de schade aan de vloer van [partij A] c.s. [partij B] heeft de hoogte van de schade niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 19.207,80 zal dan ook worden toegewezen.
Wettelijke (handels)rente over de hoofdsom
5.7.
[partij A] c.s. vorderen betaling van wettelijke handelsrente over de hoofdsom. De wettelijke handelsrente is alleen van toepassing op de primaire betalingsverplichting uit een handelsovereenkomst (oftewel de betaling voor geleverde goederen of diensten) en dus niet op andere verplichtingen die uit een handelsovereenkomst kunnen volgen, zoals de verplichting tot vergoeding van schade. Aangezien de hoofdsom in dit geval een bedrag aan schadevergoeding betreft, is daarover dus geen wettelijke handelsrente toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
Deskundigenkosten
5.8.
[partij A] c.s. en [partij B] zijn het erover eens dat zij samen hebben besloten om TBA in te schakelen voor een deskundigenonderzoek en dat zij hebben afgesproken dat de kosten van het onderzoek bij helfte zouden worden verdeeld.
5.9.
[partij A] c.s. stellen dat aangezien [partij B] weigerde om de schade te vergoeden en het daardoor tot een procedure heeft moeten komen, de deskundigenkosten volledig voor zijn rekening moeten komen. [partij B] betwist dit.
5.10.
De kantonrechter wijst de gevorderde deskundigenkosten af. [partij A] c.s. hebben geen recht op vergoeding van deze kosten, omdat zij daarover vooraf met [partij B] hebben afgesproken dat partijen ieder de helft van de deskundigenkosten zouden betalen. Nergens is uit gebleken dat partijen hebben bedoeld dat deze verdeling afhankelijk was van de uitkomst van het onderzoek en of er een procedure zou worden gestart (en dat in dat geval één partij alle kosten zou moeten vergoeden).
Buitengerechtelijke incassokosten
5.11.
[partij A] c.s. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [partij B] voert aan dat de buitengerechtelijke incassokosten niet van toepassing zijn, omdat hij niet in verzuim is. Daarnaast voert [partij B] aan dat [partij A] c.s. slechts in zeer algemene termen hebben verwoord welke buitengerechtelijke incassowerkzaamheden er zijn verricht en dat [partij A] c.s. slechts een paar brieven hebben gestuurd, welke zijn aan te merken als voorbereiding op een gerechtelijke procedure en dus niet als buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Voor zover er al buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, dan zijn deze volgens [partij B] nodeloos zijn gedaan, omdat hij vanaf het begin uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij niet zal betalen.
5.12.
Zoals de kantonrechter hiervoor al heeft geoordeeld, is [partij B] echter wel in verzuim. De kantonrechter overweegt verder dat [partij A] c.s. [partij B] per brief van 22 oktober 2021 in gebreke hebben gesteld en dat hun gemachtigde [partij B] per brief van 30 november 2021 (nogmaals) heeft gesommeerd om de gebreken te herstellen. Deze brieven zijn aan te merken als buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze werkzaamheden niet nodeloos verricht. [partij B] heeft namelijk pas op 9 december 2021 (ná de genoemde brieven van [partij A] c.s. ) via zijn gemachtigde gereageerd en heeft toen verklaard dat hij [partij C.1] in gebreke heeft gesteld en diens reactie zal doorsturen zodra hij deze ontvangt. Vervolgens heeft [partij B] op 21 februari 2022 via zijn gemachtigde medegedeeld dat het hem wenselijk lijkt om een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren, welk onderzoek ook heeft plaatsgevonden. Pas op 9 februari 2023 heeft [partij B] via zijn gemachtigde medegedeeld dat hij de schadevergoeding niet kan betalen.
5.13.
Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding van € 967,08 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het tarief dat in dit besluit is bepaald, en zal daarom worden toegewezen.
5.14.
[partij A] c.s. vorderen betaling van wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten. De buitengerechtelijke incassokosten worden echter aangemerkt als vermogensschade (artikel 6:96 lid 2 onder c BW). Daarover is geen wettelijke handelsrente toewijsbaar. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen.
Proceskosten
5.15.
[partij B] krijgt ongelijk en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij A] c.s. worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
110,55
- griffierecht
1.384,00
- salaris gemachtigde
1.058,00
(2,00 punten × € 529,00)
- nakosten
132,00
totaal
2.684,55
5.16.
Over de proceskosten is geen wettelijke handelsrente toewijsbaar. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in de vrijwaringszaak
Hoofdsom
Ten aanzien van [partij C.2]
5.17.
[partij B] heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat [partij C.2] aansprakelijk is tegenover hem, op grond van een onrechtmatige daad. Volgens [partij B] heeft [partij C.2] het materiaal voor de vloercoating namelijk niet op de juiste manier gebruikt en verwerkt, waardoor schade is ontstaan en waarvan hij de financiële consequenties draagt.
5.18.
[partij C.2] betwist dat hij onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [partij B] . Hij heeft aangevoerd dat hij door [partij C.1] is ingeschakeld en dat de werkzaamheden al waren begonnen toen hij aankwam. Volgens hem heeft hij slechts op aanwijzing van [partij C.1] en [partij B] werkzaamheden uitgevoerd en heeft hij geen bemoeienis gehad met het te gebruiken materiaal, de hoeveelheden en de werkwijze. Bovendien kwam [partij B] volgens [partij C.2] bijna elke dag gedurende langere tijd langs om de werkzaamheden te bekijken en zelf ook mee te helpen. [partij C.2] heeft onbetwist aangevoerd dat [partij B] daarbij geen enkele corrigerende opmerking heeft gemaakt over de uitvoering van de werkzaamheden. [partij B] en [partij C.2] zijn het er beide ook over eens dat het geen ingewikkelde werkzaamheden betrof die [partij C.2] moest uitvoeren.
5.19.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [partij C.2] is de kantonrechter van oordeel dat [partij B] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat [partij C.2] onrechtmatig tegenover hem heeft gehandeld. Zo heeft [partij B] niet gesteld welke concrete fouten er door [partij C.2] zijn gemaakt (bijvoorbeeld het niet volgen van productinstructies of nalatig handelen). Aangezien [partij B] ook geen andere grondslagen heeft aangevoerd voor aansprakelijkheid van [partij C.2] tegenover hem, zullen zijn vorderingen tegenover [partij C.2] als onvoldoende onderbouwd gesteld worden afgewezen.
Ten aanzien van [partij C.1]
5.20.
[partij C.1] is niet in het geding verschenen. Bij de dagvaarding zijn de voorgeschreven formaliteiten en termijnen in acht genomen, zodat tegen hem verstek is verleend. Aangezien [partij C.2] wel in het geding is verschenen, geldt dit vonnis op grond van artikel 140 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tegenover [partij C.1] ook als een vonnis op tegenspraak.
5.21.
[partij B] heeft op de mondelinge behandeling gesteld dat [partij C.1] als onderaannemer aansprakelijk is tegenover hem, op grond van wanprestatie. [partij C.1] heeft de vloercoating namelijk aangebracht in opdracht en voor rekening van [partij B] . Ter onderbouwing wijst [partij B] op de factuur die [partij C.1] voor zijn werkzaamheden aan [partij B] heeft gestuurd. Volgens [partij B] is [partij C.1] tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen tegenover hem, doordat hij de vloercoating niet op de juiste manier heeft aangebracht. In het rapport van TBA staat namelijk dat bij de applicatie van een epoxy vloercoating verschillende zaken van belang zijn voor een goede hechting (zoals de temperatuur, de luchtvochtigheid en het reinigen en schuren van de cementgebonden dekvloer). [partij B] stelt dat [partij C.1] de voorgeschreven volgorde van handelingen niet heeft gevolgd, meer in het bijzonder dat [partij C.1] de cementgebonden onderdekvloer niet vooraf heeft geschuurd. Hij heeft [partij C.1] per brief van 9 december 2021 in gebreke gesteld en gesommeerd om aansprakelijkheid te erkennen en te bevestigen dat hij bereid is om de gebreken te herstellen. Per brief van 9 februari 2023 heeft [partij B] [partij C.1] gesommeerd om de schade van € 19.207,80 te vergoeden. Aangezien [partij C.1] daar niet op gereageerd heeft, is hij volgens [partij B] in verzuim geraakt.
5.22.
Aangezien [partij C.1] niet is verschenen op de mondelinge behandeling en geen schriftelijk verweer heeft gevoerd, zijn de stellingen van [partij B] niet weersproken. De vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. [partij C.1] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van de bedragen waartoe [partij B] in de hoofdzaak is veroordeeld.
Proceskosten
5.23.
[partij B] krijgt ongelijk tegenover [partij C.2] en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij C.2] betalen. De proceskosten van [partij C.2] worden vastgesteld op:
- salaris gemachtigde
1.058,00
(2,00 punten × € 529,00)
- nakosten
132,00
totaal
1.190,00
5.24.
[partij C.1] krijgt ongelijk tegenover [partij B] en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [partij B] betalen. De proceskosten van [partij B] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
130,56
- griffierecht
693,00
- salaris gemachtigde
1.058,00
(2,00 punten × € 529,00)
- nakosten
132,00
totaal
2.013,56

6.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofdzaak
6.1.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] c.s. te betalen een bedrag van € 19.207,80, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 7 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
6.2.
veroordeelt [partij B] om aan [partij A] c.s. te betalen een bedrag van € 967,08 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
6.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij A] c.s. van € 2.684,55, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW als de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] ook de kosten van betekening betalen,
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de vrijwaringszaak
6.6.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van [partij C.2] van € 1.190,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij B] ook de kosten van betekening betalen,
6.7.
veroordeelt [partij C.1] tot betaling van datgene waartoe [partij B] als gedaagde in de hoofdzaak tegenover [partij A] c.s. is veroordeeld, met inbegrip van de kostenveroordeling,
6.8.
veroordeelt [partij C.1] in de proceskosten van [partij B] van € 2.013,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [partij C.1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [partij C.1] ook de kosten van betekening betalen,
6.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. A.M. van Diggele en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2023.