De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie en de verdediging voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting afspraken hebben gemaakt over het verloop van de voor de rechtbank te voeren strafprocedure. Deze afspraken worden ook wel ‘procesafspraken’ genoemd. In deze strafzaak hebben de procesafspraken geresulteerd in een gezamenlijk afdoeningsvoorstel van de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank. Dit afdoeningsvoorstel is voorafgaand aan de zitting ter kennisname aan de rechtbank gezonden. Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak tegen verdachte op de zitting van
14 november 2023 zijn de gemaakte procesafspraken indringend met verdachte (in aanwezigheid van zijn raadsman) besproken. Daarbij was een belangrijk element of verdachte begrijpt wat de gemaakte procesafspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben. Ter zitting hebben verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het om de volgende procesafspraken gaat:
De officier van justitie vordert dat de tenlastelegging wordt gewijzigd, in die zin dat het verwijt op grond van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven) vervalt en de tenlastelegging luidt zoals hiervoor is vermeld.
De verdediging voert ten aanzien van de gewijzigde tenlastelegging geen bewijsverweer.
Verdachte bekent zich schuldig te hebben gemaakt aan het aan hem ten laste gelegde feit. Hij bekent dat hij destijds wist dat de organisatie waarvoor hij een klusje heeft gedaan geen legale organisatie was.
De (eventueel nog) openstaande onderzoekswensen van de verdediging vervallen.
De officier van justitie vordert dat aan verdachte wordt opgelegd: een voorwaardelijke taakstraf van honderd uren, te vervangen door vijftig dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, met een proeftijd van één jaar, met aftrek van het voorarrest.
De verdediging voert geen strafmaatverweer.
De officier van justitie en de verdediging zien af van het instellen van hoger beroep, als en nadat de rechtbank overeenkomstig de inhoud van de procesafspraken vonnis wijst.
De officier van justitie vordert – indien en voor zover dit aan de orde is – de teruggave aan verdachte van de onder hem in beslag genomen voorwerpen.
De procesafspraken vervallen indien en voor zover de rechtbank deze niet volgt.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De procesafspraken komen daarmee voor een beoordeling van de rechtbank in aanmerking. De beantwoording van de vragen van artikel 348 en artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering blijft daarbij leidend voor de rechtbank, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.