De zaak betreft een geschil tussen Monoma Nederland B.V. en [X] over het gebruik van een woning in Holten. Monoma stelt dat de overeenkomst een bruikleenovereenkomst is die tijdig is opgezegd, terwijl [X] stelt dat sprake is van huur. De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat de overeenkomst als een huurovereenkomst van korte duur moet worden beschouwd, waardoor [X] de woning moet ontruimen.
Daarnaast is in reconventie de vraag aan de orde of partijen een nieuwe bruikleenovereenkomst hebben gesloten voor een woning in Ermelo. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat op 31 juli 2023 een nieuwe bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen, waardoor Monoma verplicht is een passende vervangende woning ter beschikking te stellen.
De voorzieningenrechter wijst de vordering tot ontruiming toe met een termijn van één maand na betekening van het vonnis. De vordering tot verhuiskostenvergoeding wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.