ECLI:NL:RBOVE:2023:3876

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
3 oktober 2023
Zaaknummer
08.289537.21
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepkwekerijen en oplegging betalingsverplichting

De rechtbank Overijssel heeft op 3 oktober 2023 uitspraak gedaan in een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en diefstal.

De ontnemingsvordering is behandeld tijdens de strafzaak waarbij de officier van justitie een bedrag van ruim €1 miljoen aan wederrechtelijk verkregen voordeel vorderde. De rechtbank baseert haar vaststelling op bewijsmiddelen uit de strafzaak, een rapport van 18 oktober 2021 en een proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2021.

De rechtbank stelde vast dat in twee kweekruimtes elk 640 hennepplanten stonden, met een netto opbrengst per plant van 31,15 gram. De bruto opbrengst per oogst per kweekruimte bedroeg ongeveer €81.139, terwijl de kosten per oogst €6.601,60 bedroegen. Uit analyse van het elektriciteitsverbruik en kweeklijsten bleek dat er zeven oogsten zijn gerealiseerd.

Hieruit volgt een wederrechtelijk verkregen voordeel van €1.043.530,88. De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen en bepaalt de maximale gijzelingstermijn op 1095 dagen. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De veroordeelde is verplicht €1.043.530 aan de Staat te betalen ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.289537.21
Datum vonnis: 3 oktober 2023
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres 1] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 1.043.530,60.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 19 september 2023. De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig met de behandeling van de strafzaak plaatsgevonden.
De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.J.H. van der Wal, advocaat in Hengelo (O), is op die terechtzitting verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 19 september 2023 heeft de officier van justitie mr. R. Schuurman zijn vordering gehandhaafd.
De raadsman heeft zich, gelet op de door hem bepleite vrijspraak, op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ontnemingsvordering.

3.De beoordeling van de vordering

3.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 3 oktober 2023 veroordeeld, voor zover van belang, voor de strafbare feiten:
feit 1 primair
het misdrijf: medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2:
het misdrijf: diefstal, waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.
3.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank acht op basis van de voor de bewezenverklaring in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen [1] , het voor de vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 18 oktober 2021 [2] en het proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2021 [3] aannemelijk dat veroordeelde financieel voordeel heeft genoten uit de door hem gepleegde strafbare feiten.
De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel als volgt vast.
In de eerste kweekruimte stonden 640 hennepplanten. De tweede kweekruimte, waar recent geoogst was, was op precies dezelfde manier ingericht met plek voor 640 hennepplanten. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gaat de rechtbank er van uit dat zowel in de eerste kweekruimte als in de tweede kweekruimte 640 hennepplanten hebben gestaan.
Uit de tweede kweekruimte zijn tien planten die lagen te drogen in beslag genomen en verder gedroogd in een ruimte op het politiebureau. Na het drogen kwam het gemiddelde nettogewicht uit op
31,15 gram per plant.
Opbrengst
De totale netto opbrengst aan hennep per oogst bedraagt:
Kweekruimte 1: 640 planten x 31,15 gram = 19,936 kilogram
Kweekruimte 2: 640 planten x 31,15 gram = 19,936 kilogram
De totale bruto opbrengst per oogst bedraagt minimaal:
Kweekruimte 1: 19,936 kilogram x € 4.070,00 =
€ 81.139,52.
Kweekruimte 2: 19,936 kilogram x € 4.070,00 =
€ 81.139,52
Kosten per oogst
Het dossier bevat aanwijzingen dat verdachte de hennepplanten heeft laten knippen. De hieraan verbonden kosten worden gesteld op € 2,00 per plant per oogst. De rechtbank zal geen rekening houden met elektriciteitskosten, nu veroordeelde heeft verklaard dat de door Enexis in rekening gebrachte kosten niet zijn voldaan. Ten behoeve van de huisvesting zijn geen extra kosten gemaakt, zodat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook met huisvestingskosten geen rekening gehouden wordt.
De in mindering te brengen kosten per oogst per kweekruimte zijn:
Afschrijvingskosten : € 400,00 (Tabel pag. 3 rapport van FPA 1-11-2010)
Hennepstekken : € 2.438,40 (€ 3,81 per stek/plant)
Variabele kosten : € 2.483,20 (€ 3,88 per stek/plant)
Kosten knippers : € 1.280,00 (€ 2,00 per stek/plant)
Totaal aan kosten :€ 6.601,60
Vaststelling eerdere oogsten
Door Enexis is een analyse uitgevoerd op een specifiek netdeel, waarop het adres [adres 2] is aangesloten, over de periode 01-01-2020 tot 27-08-2021. In de aangegeven meetperiode zijn dubbele 12 uurs verbruikspatronen te zien. Uit deze analyse volgt dat er in deze periode achtmaal een volledige kweekperiode is geweest. Daarnaast zijn zeven ingevulde kweeklijsten van 09-07-2020 tot en met 27-08-2021 aangetroffen. In de tweede kweekruimte zijn bovendien een niet doorbroken stoflaag op de aanwezige elektra en een ernstig vervuilde opticlimate aangetroffen. Het hout van de latten waaraan de assimilatielampen waren opgehangen was bovendien verkleurd op de plaatsen waar de lampen waren bevestigd aan de lat.
Alles in samenhang bezien acht de rechtbank aannemelijk dat er zeven oogsten zijn gerealiseerd.
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
De 1e kweekruimte
Bruto opbrengst 7 oogst(en) x € 81.139,52 = € 567.976,64
Totale kosten 7 oogst(en) x € 6.601,60 = € 46.211,20
De 2e kweekruimte
Bruto opbrengst 7 oogst(en) x € 81.139,52 = € 567.976,64
Totale kosten 7 oogst(en) x € 6.601,60 = € 46.211,20
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 1.043.530,88
Conclusie
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 1.043.530,88.
3.3
De vaststelling van de betalingsverplichting
De rechtbank is van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van afgerond € 1.043.530,--.

4.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

5.De beslissing

De rechtbank:
- stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 1.043.530,--;
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 1.043.530,-- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1095 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. P.M.F. Schreurs, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2023.
Buiten staat
Mr. P.M.F. Schreurs is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021404994 van 4 oktober 2022. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht van 18 oktober 2021, pagina’s 51 tot en met 57.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 september 2021 opgemaakt door [verbalisant] pagina’s 157 en 158.