Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De bewijsmotivering
De [bedrijf 6] is in december 2014 aan [bedrijf 3] B.V. ( [bedrijf 3] ) gegund. [bedrijf 3] is een rechtspersoon waaraan [naam 1] ( [naam 1] ) is gelieerd. [bedrijf 7] B.V. (hierna: [bedrijf 7] ), een andere bieder in die betreffende procedure, veronderstelt dat zij de gunning van de portefeuille is misgelopen als gevolg van niet-ambtelijke omkoping door [naam 3] en [naam 1] .
‘Gevraagd naar het organogram van dezelfde datum van mijn hand, dat betrekking heeft op een verdeling van de aandelen in [bedrijf 5] met (vennootschappen van) [naam 3] verklaar ik dat er in die tijd wel spinsels zijn geweest tussen de heer [naam 1] en de heer [naam 3] en hebben zij zich afgevraagd wat als de tender verworven zou worden. Spinsels wellicht over verdeling, misschien over vervuilde grond, ik heb daar een opzet voor gemaakt. In mijn herinnering hielp [naam 3] [naam 1] niet bij het verwerven van de tender . De tender is met de heer [naam 3] voorafgaand aan het verwerven daarvan door [bedrijf 2] door mij wel besproken, maar dat ging meer om spinsels: wat als die verworven zou worden? Dit had niets te maken met begeleiding van de heer [naam 1] bij het verwerven van de tender .’
Op de vraag:‘
Was de heer [naam 3] of gelieerde
U vraagt mij of ik weet of [naam 3] en [naam 1] destijds of nu zaken met elkaar deden, los van de hier meer besproken vastgoedtransactie. Ik weet dat ze nu zaken met elkaar doen. En ik wist destijds ook dat ze toen zaken met elkaar deden. Ik weet niet of ze privé met elkaar omgingen”.
Ik blijf bij mijn verklaring dat ik het gesprek met NS niet heb voorbesproken met [naam 3] . Het kan zijn dat wij toen een bespreking hebben gehad, maar een voorbespreking van het gesprek met NS was dit niet.’