Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:3667

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
14 september 2023
Zaaknummer
22-017207
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 533 SvArt. 537 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding voor onrechtmatige vrijheidsbeneming bij uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling

Verzoeker diende een verzoek in tot vergoeding van schade veroorzaakt door onrechtmatige vrijheidsbeneming in het kader van het uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank stelde vast dat op 29 april 2022 de politierechter ten onrechte het oude recht had toegepast, waardoor verzoeker onterecht negen dagen in detentie verbleef.

De rechtbank oordeelde dat indien het geldende recht was toegepast, het Openbaar Ministerie de beslissing over het uitstel had genomen en verzoeker bij een gegrond bezwaar recht had gehad op schadevergoeding. De onrechtmatige detentie van negen dagen vanaf de VI-datum 25 april 2022 tot 3 mei 2022 rechtvaardigde een vergoeding.

Daarnaast werd een vergoeding toegekend voor de kosten van het opstellen en toelichten van het verzoekschrift, conform de normen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De totale vergoeding van €1.580 wordt ten laste van de Staat betaald. De beschikking werd op 13 september 2023 uitgesproken door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Overijssel.

Uitkomst: Verzoeker krijgt een totale schadevergoeding van €1.580 toegekend wegens onrechtmatige vrijheidsbeneming en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Strafrecht
Zittingsplaats Almelo
raadkamernummer: 22-017207
Beschikking van de enkelvoudige raadkamer op het verzoekschrift op grond van artikel 530 en Pro artikel 533 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1980,
domicilie kiezende te [woonplaats],
hierna te noemen: de verzoeker,
bijgestaan door mr. M. Cankaya, advocaat te Lent.

1.Het verloop van de procedure

Het verzoekschrift, gedateerd 27 juli 2022, is op 5 augustus 2022 op de griffie van de rechtbank ontvangen. Het is ondertekend en ingediend door verzoeker, bijgestaan en medeondertekend door diens raadsman mr. M. Cankaya.
Het verzoek strekt ertoe aan verzoeker op grond van artikel 537 lid 3 Sv Pro een vergoeding ten laste van de Staat toe te kennen tot een bedrag van € 900,00 voor de schade die verzoeker ten gevolge van ondergane vrijheidsbeneming in het kader van het uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft geleden.
Het verzoek strekt daarnaast tot het op grond van artikel 530 Sv Pro toekennen van een vergoeding ten laste van de Staat voor de kosten van een raadsman voor het opstellen, indienen en in raadkamer toelichten van onderliggend verzoekschrift tot een bedrag van € 680,00.
Het verzoekschrift is behandeld op de openbare zitting van de raadkamer van 13 september 2023.Bij de behandeling zijn de officier van justitie mr. G.J. Jansen, verzoeker en de raadsman gehoord.
De raadkamer heeft kennis genomen van de door de officier van justitie overgelegde relevante stukken uit het dossier van de strafzaak tegen verzoeker en een schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie van 23 augustus 2022. De raadkamer heeft eveneens kennis genomen van de reactie van de raadsman van 8 september 2022 op voornoemde conclusie.

2.De standpunten van verzoeker, de raadsman en de officier van justitie

Het standpunt verzoeker en zijn raadsman
De raadsman en verzoeker hebben ter terechtzitting het verzoekschrift toegelicht. De raadsman en verzoeker stellen zich primair op het standpunt dat de politierechter bij de behandeling van de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op 29 april 2022 ten onrechte oud recht heeft toegepast. Voor de wetswijziging van 1 juli 2021 diende het Openbaar Ministerie een vordering tot uitstel van de voorwaardelijke vrijheidsstelling in bij de rechtbank, waarop de rechtbank een beslissing nam. Na voornoemde wetswijziging is het aan het Openbaar Ministerie om te beslissen over het al dan niet in vrijheid stellen van veroordeelden. Indien het Openbaar Ministerie beslist om geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen, kan een veroordeelde hiertegen bezwaar instellen. Op grond van artikel 537 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv) kan, in een geval waarin het Openbaar Ministerie heeft besloten geen voorwaardelijke invrijheidstelling te verlenen en het bezwaar van veroordeelde hiertegen gegrond wordt verklaard, op verzoek van veroordeelde een vergoeding worden toegekend van de schade ten gevolge van de vrijheidsbeneming door het afwijzen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. In de hypothetische situatie dat in onderhavig geval wél het geldende recht zou zijn toegepast – er van uitgaande dat het Openbaar Ministerie had beslist tot het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidsstelling en dat het door verzoeker ingestelde bezwaar hiertegen gegrond was verklaard - had verzoeker recht gehad op schadevergoeding op grond van art. 537 lid 3 Sv Pro. Het feit dat in onderhavig geval ten onrechte oud recht is toegepast waarbij de vordering van het Openbaar Ministerie tot het verlenen van uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling door de rechter is afgewezen waardoor er ook geen reden was voor bezwaar - indien en voor zover dat al wettelijk mogelijk was - mag er niet toe leiden dat veroordeelde nu geen schadevergoeding kan verzoeken op basis van artikel 537 lid 3 Sv Pro waarin die mogelijkheid uitdrukkelijk wordt geopend voor gegrond verklaarde
bezwaarschriftentegen een
beslissingvan het Openbaar Ministerie tegen uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling. De raadsman verzoekt daarom om een extensieve uitleg van artikel 537 Sv Pro. Hij verwijst naar een vonnis van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:RBMNE:2020:5960).
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat het verzoek toegewezen kan worden.

3.De ontvankelijkheid

Het verzoekschrift is tijdig ingediend. De raadkamer stelt vast dat het verzoekschrift ook overigens ontvankelijk is nu vaststaat dat de rechter op 29 april 2022 ten onrechte het oude recht zoals dat nadien met ingang van 1 juli 2021 is gewijzigd, heeft toegepast. Het zou niet billijk zijn indien dit tot nadeel van verzoeker zou leiden.

4.De beoordeling

Op grond van de stukken en de behandeling op de zitting stelt de raadkamer het volgende vast.
De vordering van de officier van justitie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling is op 29 april 2022 afgewezen door de politierechter in deze rechtbank. Daarbij is ook de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker per 29 april 2022 bevolen. Op 3 mei 2022 is verzoeker feitelijk in vrijheid gesteld. Verzoeker heeft in totaal negen dagen doorgebracht in een penitentiaire inrichting in het kader van het uitstel van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling terwijl de rechter de vordering tot uitstel op 29 april 2022 had afgewezen en de invrijheidstelling van veroordeelde had gelast. De VI-datum van veroordeelde was 25 april 2022.
De raadkamer overweegt het volgende. Op 29 april 2022 is door de politierechter in deze rechtbank op grond van oud recht een vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afgewezen. De raadkamer is van oordeel dat indien er destijds toepassing was gegeven aan het geldende recht - en het Openbaar Ministerie had beslist tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling waartegen verzoeker dan bezwaar zou hebben ingesteld – het alleszins aannemelijk is dat de raadkamer destijds tot een gegrondverklaring van dit bezwaarschrift was gekomen gelet ook op de beslissing van de politierechter van 29 april 2022 op de vordering van het Openbaar Ministerie.
Hiervan uitgaande had verzoeker op dat moment ook recht gehad op een vergoeding als bedoeld in artikel 537 lid 3 Sv Pro. Feit is en blijft dat verzoeker ten onrechte negen dagen (vanaf 25 april 2022 (de VI-datum) tot 3 mei 2022) in een penitentiaire inrichting heeft doorgebracht en een vergoeding voor de ten onrechte ondergane detentie verdient. Derhalve zal de raadkamer, alles in aanmerking genomen, aan verzoeker de gevraagde vergoeding toekennen van € 900,00.
De raadkamer kent daarnaast een vergoeding toe voor de kosten voor het opmaken en indienen van het verzoekschrift en het bijwonen van de behandeling ter zitting van het verzoekschrift, volgens de normbedragen zoals die voor dit soort verzoeken door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld, zijnde een bedrag van € 680,00.

5.De beslissing

De raadkamer:
  • kent op grond van artikel 530 en Pro 537 Sv aan verzoeker ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.580,=;
  • beveelt dat na het onherroepelijk worden van deze beschikking de schadevergoeding door de griffier betaald wordt door overboeking van het bedrag op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van Cankaya Advocatuur te Lent.
Deze beschikking is gegeven door mr. B.W.M. Hendriks, voorzitter, in tegenwoordigheid van B. Kleinlugtenbeld, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023.