Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:3226

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
31 juli 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
297897 FT RK 23/320 en 297910 FT RK 23/321
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek dwangakkoord ondanks weigering Belastingdienst op basis van nieuwe schuldsaneringswet

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een gehuwd stel met een schuldregeling en een dwangakkoord op grond van artikel 287a Faillissementswet. Het verzoek werd ingediend na inwerkingtreding van nieuwe wetgeving per 1 juli 2023, die een wettelijke schuldsaneringsregeling met een looptijd van 18 maanden voorschrijft.

De Belastingdienst weigerde in te stemmen met het aanbod omdat dit was gebaseerd op een termijn van 18 maanden, terwijl volgens hen het voorstel vóór 1 juli 2023 was gedaan en daarom een looptijd van 36 maanden moest hebben. De rechtbank oordeelde dat vanwege het ontbreken van overgangsrecht de nieuwe wetgeving geldt bij de beoordeling van het verzoek.

Het aanbod voorzag in een uitkering van 5,28% aan preferente schuldeisers en 2,64% aan concurrente schuldeisers over 18 maanden. Van de 47 schuldeisers stemden 46 in, met uitzondering van de Belastingdienst, die een vordering van €83 vertegenwoordigt. De rechtbank achtte het voorstel maximaal haalbaar gezien de beperkte verdiencapaciteit van verzoekers.

De rechtbank concludeerde dat de Belastingdienst niet in redelijkheid tot weigering heeft kunnen komen en wees het verzoek toe om de Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de schuldregeling. Het vonnis werd uitgesproken op 31 juli 2023 door mr. R.P. van Eerde.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de Belastingdienst in te stemmen met het aangeboden dwangakkoord van 18 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Toezicht
Zittingsplaats Almelo
zaaknummers: 297897 FT RK 23/320 en 297910 FT RK 23/321
datum vonnis: 31 juli 2023
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1960 te [geboorteplaats 1] ,
en
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats 2] ,
beiden wonende te [adres] ,
verzoeksters,
verder te noemen: [verzoekers] ,
gemachtigde: Bresz Schuldhulpverlening,
tegen

Landelijk Incassocentrum Belastingdienst,

gevestigd te Heerlen,
verweerster,
verder te noemen: Belastingdienst.
Ten aanzien van de goederen van [verzoekers] is een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van Profez Noltes tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoekers] hebben een verzoek gedaan tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling en hebben tevens verzocht om een dwangakkoord (verzoek ex artikel 287a Faillissementswet) vast te stellen.
Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van
24 juli 2023. Ter zitting zijn [verzoekers] , de heer Noltes (beschermingsbewindvoerder), de heer [naam 1] (schuldhulpverlener – Bresz) en mevrouw [naam 2] (namens de Belastingdienst) verschenen. Verder is niemand verschenen. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

De feiten
[verzoekers] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. [verzoeker] is 62 jaar oud en [verzoekster] is 54 jaar oud. [verzoeker] is 20-24 uur per week werkzaam als verkeersregelaar en verdient € 1.133,73 per maand. Er is sprake van fysieke beperkingen bij [verzoeker] , omdat hij lijdt aan een hartritmestoornis. [verzoekster] heeft een WAO-uitkering en ontvangt € 783,84 per maand. In 1999 is [verzoekster] volledig afgekeurd vanwege een aangeboren rug afwijking.
[verzoekers] hebben een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers.
Dit aanbod houdt – samengevat weergegeven – het navolgende in: aan de preferente schuldeisers is een aanbod gedaan van uitkering van 5,28% van hun vorderingen en aan de concurrente schuldeisers is een aanbod gedaan van een uitkering van € 2,64% van hun vorderingen op een termijn van 18 maanden tegen verlening door de schuldeisers van finale kwijting. Er is sprake van een prognosevoorstel.
De totale schuldenlast bedraagt € 39.928,37. Er is sprake van 47 schuldeisers. De Belastingdienst met een vordering van € 83,00 is de enige weigerende schuldeiser. De vordering van de Belastingdienst maakt 0,21% uit van de totale schuldenlast. De Belastingdienst heeft schriftelijk aan de schuldhulpverlener medegedeeld dat zij niet akkoord gaat met een aanbod dat is gebaseerd op 18 maanden.
[verzoekers] hebben de rechtbank verzocht de Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de schuldregeling die is aangeboden.
De behandeling ter zitting
[naam 2] heeft verklaard dat de Belastingdienst op 15 maart 2023 het aanbod, gebaseerd op 18 maanden, heeft ontvangen. Gelet op de situatie dat de wetgever geen overgangswetgeving van toepassing heeft verklaard, is de Belastingdienst gebonden aan het wettelijke regime dat een voorstel in het minnelijk traject ingediend vóór 1 juli 2023 gebaseerd is op een looptijd van 36 maanden. Het voorstel van [verzoekers] is op 15 maart 2023 gedaan en daarmee valt het voorstel, volgens de Belastingdienst, onder de oude wetgeving en dient dit op basis van een looptijd van 36 maanden te zijn. [naam 2] heeft verklaard dat de Belastingdienst het voorstel van [verzoekers] heeft afgewezen, omdat het niet voldoet aan de wetgeving die op dat moment geldt.
[naam 1] heeft verklaard dat zij als schuldhulpverlener niet konden wachten met het voorstel aan de schuldeisers totdat de nieuwe wetgeving inwerking zou gaan treden. [naam 1] heeft verklaard dat [verzoeker] 20-24 uur per week werkzaam is en dat er geen zich is op een inkomstenverbetering. De 20-24 uur per week die [verzoeker] werkzaam is, is volgens [naam 1] het maximaal haalbare.
De overwegingen van de rechtbank
In artikel 287a lid 5 Faillissementswet is bepaald dat de rechtbank een verzoek tot het opleggen van instemming met een schuldregeling toewijst, indien de schuldeiser die weigert in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
Dit betekent dat als een schuldenaar geen gelden heeft en een keuze moet maken tussen de wettelijke schuldsanering of het aanbieden van een akkoord, de rechtbank aan de hand van een vergelijking dient te beoordelen of het aangeboden akkoord de betere optie is voor de schuldeisers. De wetgever heeft geen overgangsrecht bepaald. Dit betekent dat de rechtbank de vergelijking dient te maken op het moment van het behandelen van het verzoek. Het verzoekschrift van [verzoekers] is behandeld ná 1 juli 2023. Aangezien de rechtbank het verzoekschrift behandelt ná 1 juli 2023 is de nieuwe wetgeving op de schuldsaneringsregeling van toepassing. De rechtbank dient derhalve de vergelijking te maken naar huidig recht: een minnelijk traject en een schuldsanering met een looptijd van 18 maanden.
De rechtbank concludeert dat 46 van de 47 schuldeisers, vertegenwoordigende 99% van de schuldenlast, met het aanbod in het minnelijk traject hebben ingestemd, hetgeen een forse meerderheid is. De rechtbank dient echter onder andere ook te beoordelen of [verzoekers] het maximale hebben aangeboden.
De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. [verzoeker] heeft een hartritmestoornis en 20-24 uur per week arbeid verrichten is het maximale wat hij zal kunnen. De verdiencapaciteit van [verzoekster] zal ook niet vooruit gaan, omdat zij volledig is afgekeurd en een WAO-uitkering ontvangt.
De rechtbank acht niet aannemelijk dat [verzoeker] op korte termijn een hoger inkomen zal kunnen vergaren. Mocht dit wel het geval zijn, dan zal eventuele (extra) spaarcapaciteit, nu er sprake is van een prognosevoorstel, ten goede komen aan de schuldeisers.
Gelet op vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Belastingdienst in redelijkheid niet tot weigering van de instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekers] om de Belastingdienst te bevelen in te stemmen met de schuldregeling dan ook toewijzen.

De beslissing

De rechtbank:
I. beveelt de Belastingdienst in te stemmen met de door [verzoekers] aangeboden schuldregeling als hiervoor omschreven;
II. wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. van Eerde en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 juli 2023 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .