Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2023:287

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
30 januari 2023
Zaaknummer
10252370 \ EJ VERZ 22-418
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:671b BWArt. 7:686a lid 9 BWArt. 99 RvArt. 100 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsgeschil kantonrechter bij ontbinding arbeidsovereenkomst OD IJsselland

OD IJsselland heeft een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer ingediend bij de kantonrechter te Zwolle. De werknemer stelde dat de kantonrechter te Zwolle onbevoegd was omdat hij feitelijk vanuit huis in een andere woonplaats werkte en dat de zaak door de kantonrechter te Amsterdam behandeld moest worden.

De kantonrechter overwoog dat de standplaats van de werknemer oorspronkelijk Zwolle was en dat het thuiswerken noodgedwongen was vanwege het overheidsadvies tijdens de coronapandemie. Na het opheffen van het thuiswerkadvies bleef het beleid van OD IJsselland gericht op het werken op kantoor in Zwolle, met een minimaal percentage aanwezigheid.

De kantonrechter concludeerde dat de arbeid gewoonlijk in Zwolle werd verricht en dat de kantonrechter te Zwolle daarom bevoegd is. Het bezwaar van de werknemer dat hij geen eerlijk proces zou krijgen vanwege het regionale ecosysteem werd verworpen. De kantonrechter bepaalde tevens een termijn voor het indienen van het verweerschrift.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd om van het geschil kennis te nemen en wijst het verzoek tot onbevoegdverklaring af.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer : 10252370 \ EJ VERZ 22-418
Beschikking van de kantonrechter van 26 januari 2023
in de zaak van
OMGEVINGSDIENST IJSSELLAND,
te Zwolle,
verzoekende partij, hierna te noemen OD IJsselland,
gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis
tegen
[verweerder],
te [woonplaats] ,
verwerende partij, hierna te noemen [verweerder] ,
gemachtigde: mr. E.P.W.A. Bink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, ter griffie ontvangen op 22 december 2022;
- de e-mail van mr. Bink van 28 december 2022 met daarin het verzoek aan de kantonrechter om zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de kantonrechter te [woonplaats];
- de reactie op dit verzoek van mr. Nieuwenhuis van 3 januari 2013;
- de uitnodigingen van de rechtbank d.d. 6 januari 2023 voor de op 14 februari 2023 geplande mondelinge behandeling;
- de brief van mr. Bink van 13 januari 2023 met daarin het verzoek een tussenbeschikking af te geven;
- de brief van mr. Nieuwenhuis van 16 januari 2023;
- de brief van mr. Bink van 17 januari 2023;
- de e-mail van mr. Nieuwenhuis van 17 januari 2023.
1.2.
Hierna is (tussen)beschikking bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
OD IJsselland heeft op grond van artikel 7:671b BW een verzoekschrift ingediend dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [verweerder] .
2.2.
Per e-mail van 28 december 2022 heeft (mr. Bink namens) [verweerder] de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Volgens [verweerder] is namelijk niet de kantonrechter te Zwolle, maar de kantonrechter te Amsterdam bevoegd om het verzoek van OD IJsselland te behandelen. Hij voert daartoe kort samengevat aan hij vanaf zijn indiensttreding feitelijk steeds vanuit huis – dus in [woonplaats] – heeft gewerkt en er voor hem nooit een verplichting is geweest om naar het kantoor van OD IJsselland in Zwolle te komen.
2.3.
OD IJsselland heeft verweer gevoerd tegen de exceptie van onbevoegdheid. Zij stelt zich kort samengevat op het standpunt dat er voor de kantonrechter te Zwolle geen wettelijke bevoegdheid, laat staan verplichting, bestaat om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter in Amsterdam.
2.4.
De kantonrechter overweegt als volgt. Ingevolge artikel 7:686a lid 9 BW worden verzoeken op grond van afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW – zoals een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst ex artikel 7:671b BW – gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 Rv bevoegde kantonrechter. Op grond van artikel 99 Rv Pro is de rechter van de woonplaats van de verweerder, zijnde in dit geval [woonplaats], de bevoegde rechter. In zaken betreffende een individuele arbeidsovereenkomst is op grond van artikel 100 Rv Pro daarnaast bevoegd de rechter van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of werd verricht. Indien in het onderhavige geval moet worden aangenomen dat door het vele thuiswerken van [verweerder] [woonplaats] de plaats is waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, zou dit betekenen dat uitsluitend de kantonrechter te Amsterdam de bevoegde rechter is.
2.5.
Bij het bepalen van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt verricht, speelt niet alleen de duurzaamheid van de arbeidsverrichting op een bepaalde plaats een rol, maar ook de beweegreden voor de keuze van die plaats. Daarbij geldt als uitgangspunt de standplaats die partijen zijn overeengekomen, zoals [verweerder] ook beaamt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat deze standplaats (van meet af aan) Zwolle was en dat er van een standplaatswijziging nooit sprake is geweest. [verweerder] meent dat de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht niettemin [woonplaats] is geworden, omdat hij vrijwel altijd thuis heeft gewerkt. De kantonrechter volgt hem echter niet in dit standpunt. In dit kader wordt vooropgesteld dat [verweerder] ten tijde van de coronapandemie bij OD IJsselland in dienst is getreden, namelijk op 1 januari 2021, en dat vanwege die pandemie tot 15 maart 2022 van overheidswege een thuiswerkadvies gold. Het thuiswerken door [verweerder] vond in die periode derhalve noodgedwongen plaats, zodat van een bewuste keuze of gewijzigd beleid van OD IJsselland geen sprake was.
2.6.
Wat betreft de periode vanaf 15 maart 2022 tot 5 juli 2022 – zijnde de datum waarop [verweerder] door OD IJsselland is geschorst en hem de toegang tot haar gebouwen is ontzegd – zijn partijen het erover eens dat wel sprake was van een gewijzigd thuiswerkbeleid. Volgens OD IJsselland is met dat beleid het zwaartepunt echter op het werken op kantoor blijven liggen, omdat het uitgangspunt was dat medewerkers voor tenminste 50% van hun werktijd op kantoor dienden te zijn en de overige 50% konden verdelen tussen thuiswerken en werken op locaties van opdrachtgevers van OD IJsselland. Ter onderbouwing van de keuze voor dat beleid voert OD IJsselland aan dat zij het belangrijk vindt dat haar medewerkers elkaar structureel en voldoende frequent blijven ontmoeten. [verweerder] heeft het door OD IJsselland gestelde beleid onvoldoende weersproken, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat OD IJsselland in de periode vanaf 15 maart 2022 niet heeft willen tornen aan het uitgangspunt dat de arbeid hoofdzakelijk in Zwolle wordt verricht. Weliswaar suggereert [verweerder] dat er – al dan niet in het kader van een pilot – van dit beleid afwijkende afspraken zijn gemaakt, maar dit standpunt sluit niet aan bij zijn eigen stelling dat het verzoek om die afspraken te formaliseren vervolgens is afgewezen. Het feit dat [verweerder] zich niet aan het geldende beleid heeft gehouden en OD IJsselland vervolgens niet heeft ingegrepen, betekent evenmin dat OD IJsselland heeft willen afwijken van het uitgangspunt dat de arbeid hoofdzakelijk in Zwolle wordt verricht. Dit geldt temeer nu OD IJsselland zich op het standpunt stelt dat zij vanwege de op dat moment reeds bestaande onrust die de grondslag vormt voor het ontbindingsverzoek, er niet op heeft gestaan dat [verweerder] op kantoor kwam werken. Het moet er in de gegeven omstandigheden dus voor worden gehouden dat de plaats waar de arbeid gewoonlijk werd verricht, Zwolle is. Dit betekent dat (ook) de kantonrechter te Zwolle bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. [verweerder] heeft nog opgemerkt dat hij te Zwolle geen eerlijk proces zal krijgen omdat de zaak “het Zwolse en Overijsselse ‘ecosysteem’ raakt”, maar hij miskent hiermee de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht. Ook aan dit betoog van [verweerder] wordt dus voorbij gegaan.
2.7. De kantonrechter ziet in de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid aanleiding de termijn voor het indienen van het verweerschrift te verkorten tot zeven dagen voor de dag van de mondelinge behandeling.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart zich bevoegd om van het geschil tussen partijen kennis te nemen;
3.2.
verstaat dat de mondelinge behandeling van het verzoek van OD IJsselland zal plaatsvinden op dinsdag 14 februari 2023 om 13.30 uur;
3.3.
bepaalt dat [verweerder] uiterlijk op 6 februari 2023 een verweerschrift en/of tegenverzoek moet indienen.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Koene, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2023.
(DM(O)