Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
(beschikking verzoek wijziging termijn schuldsaneringsregeling)
[verzoeker] ,geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] , Duitsland,wonende te [woonplaats] ,verder te noemen: [verzoeker] .
Het procesverloop:
De beoordeling:
- door het feit dat op de schuldsaneringsregeling van [verzoeker] nog de ‘oude’ wetgeving met een looptijd van drie jaar van toepassing is, terwijl voor schuldsaneringsregelingen die vanaf 1 juli 2023 zijn uitgesproken een looptijd van anderhalf jaar geldt, is er sprake van rechtsongelijkheid;
- de nieuwe wetgeving is in strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 14 van Pro het EVRM in verbinding met het Eerste Protocol daarbij, en artikel 1 van Pro de Nederlandse Grondwet. Volgens [verzoeker] is er in dit geval sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen;
- het doel van de verkorting van de looptijd is volgens [verzoeker] om de perspectieven op een schuldenvrije toekomst voor personen die zich in een problematische schuldensituatie bevinden, te verbeteren en om de maatschappelijke kosten te beperken oftewel de schuldenproblematiek dient zo snel mogelijk te worden opgelost;
- volgens [verzoeker] volgt uit vaste jurisprudentie dat van verkorting van de looptijd sprake kan zijn indien bijzondere omstandigheden meebrengen dat de belangen van de schuldenaar bij een kortere schuldsaneringsregeling zwaarder moeten wegen dan de belangen van de schuldeisers bij het doorlopen van de verlengde saneringstermijn. Bij die belangafweging dient onder andere de spaarcapaciteit te worden betrokken. Vanaf 1 juni 2023 bedraagt de spaarcapaciteit van [verzoeker] € 522,22 per maand, hetgeen volgens [verzoeker] geen aanzienlijke spaarcapaciteit is. Volgens [verzoeker] bedraagt de uitkering aan concurrente schuldeisers bij een looptijd van drie jaar 7,52 % en bij een looptijd van anderhalf jaar 1,67 %. Volgens [verzoeker] is dit verschil dermate klein dat het belang van [verzoeker] zwaarder dient te wegen dan het belang van de schuldeisers.