Eiser werd op 30 mei 2020 aangehouden op verdenking van overtreding van de Opiumwet en onderging een veiligheidsonderzoek in het kader van zijn indiensttreding bij Defensie. Op basis van dit onderzoek weigerde de minister van Defensie op 15 juni 2021 een verklaring van geen bezwaar af te geven. Hoewel de strafrechtelijke zaak later voorwaardelijk werd geseponeerd, handhaafde de minister de weigering bij besluit van 16 mei 2022.
Eiser voerde aan dat zijn belangen onvoldoende waren meegewogen, met verwijzing naar zijn jonge leeftijd, het sepot, en persoonlijke omstandigheden zoals de COVID-periode en gezinssituatie. De minister stelde dat het drugsbeleid bij Defensie streng is en dat het bezit en de handel in drugs onverenigbaar zijn met een vertrouwensfunctie, waarbij het voorwaardelijke sepot de onderliggende gedragingen niet wegneemt.
De rechtbank oordeelde dat de minister de belangen zorgvuldig had afgewogen en dat het besluit niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel. De aanwezigheid van een grote hoeveelheid harddrugs en het mogelijke verband met het criminele circuit rechtvaardigen volgens de rechtbank de weigering. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.