Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 maart 2023, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] van 9 december 2021 (pagina’s 388 en 389);
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] van 9 december 2021 (pagina’s 468 en 469);
- het proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ([adres 1]) van 14 december 2021 (pagina 410).
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
gevangenisstrafvoor de duur van
289 (tweehonderdnegenentachtig) dagen;
180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarden niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte:
bijzondere voorwaardendat verdachte:
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
[slachtoffer 3]tot betaling van een bedrag van
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.363,98, (zegge: dertienhonderddrieënzestig euro en achtennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2021, ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 23 dagen kan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een ander zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;