De rechtbank Overijssel kon geen einduitspraak doen in de zaak tegen verdachte wegens poging doodslag, omdat tijdens de beraadslaging bleek dat het onderzoek niet volledig was. De rechtbank oordeelde dat het noodzakelijk is dat de aangever, die verklaarde door verdachte met een hamer te zijn geslagen, als getuige wordt gehoord door de rechter-commissaris.
De verklaring van de aangever bevatte onduidelijkheden over de toedracht van de verwondingen, zoals wanneer hij op de grond viel en of hij daadwerkelijk op het hoofd werd geslagen. Om een juiste beoordeling te kunnen maken, wenst de rechtbank de aangever te confronteren met de lezing van verdachte.
Daarom wordt het onderzoek ter terechtzitting hervat en geschorst tot een nader te bepalen tijdstip, met een uiterste termijn van drie maanden. De rechter-commissaris zal het nader onderzoek verrichten en de rechtbank wijst een voorzitter of rechter aan die over de zaak zal oordelen. Verdachte, zijn raadsvrouw en de benadeelden worden opgeroepen voor de vervolgzitting.