Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een vordering van eiser, een naamloze vennootschap, tegen gedaagden die een leaseauto voortijdig hebben ingeleverd vanwege financiële problemen. Eiser vordert betaling van openstaande bedragen uit hoofde van de leaseovereenkomst die oorspronkelijk 48 maanden zou duren, maar na 36 maanden werd beëindigd.
De rechtbank stelt vast dat de leaseovereenkomst inging op het moment dat de auto ter beschikking werd gesteld, namelijk 22 november 2017, en dat de beëindiging in november 2020 plaatsvond, twaalf maanden voor het einde van de looptijd. De eindafrekening van eiser is door de rechtbank als juist beoordeeld, waarbij ook de verrekening van gereden kilometers en het niet van toepassing zijn van een brandstofpas correct zijn vastgesteld.
Gedaagden hebben geen bewijs geleverd van onderhouds- of reparatiekosten, ondanks de mogelijkheid daartoe. De gevorderde contractuele rente van 1,5% per maand wordt gematigd tot de wettelijke handelsrente wegens disproportionaliteit en de positie van gedaagden als kleine zelfstandigen.
De rechtbank veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van € 4.298,31 plus wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding, en in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 4.298,31 plus wettelijke handelsrente en proceskosten.