AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling beroep tegen besluit op bezwaar Wob-verzoek inzake incassoprocedure gemeente Enschede
Eiser heeft bij verweerder een Wob-verzoek ingediend voor openbaarmaking van documenten over een incassoprocedure tussen de gemeente Enschede en een incassobedrijf. Na een besluit op bezwaar van 22 juni 2022, dat eiser betwistte, trok verweerder dit besluit in en nam een nieuw besluit op bezwaar van 23 december 2022. De rechtbank toetst dit nieuwe besluit aan de Wet open overheid (Woo), die sinds 1 mei 2022 de Wob vervangt.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het besluit van 22 juni 2022 niet-ontvankelijk is omdat dit besluit is ingetrokken. Het beroep tegen het nieuwe besluit van 23 december 2022 wordt inhoudelijk behandeld. Eiser stelt onder meer dat documenten ontbreken en dat er sprake is van belangenverstrengeling bij de ambtenaar die het bezwaar behandelde. De rechtbank vindt echter geen bewijs voor belangenverstrengeling en stelt vast dat de ambtenaar niet betrokken was bij de incassoprocedure.
Verder is vastgesteld dat verweerder geen toegang meer heeft tot bepaalde digitale portals en dossiers, waardoor documenten over een bepaalde periode niet beschikbaar zijn. De rechtbank acht de verklaringen van verweerder hierover geloofwaardig en oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er nog relevante documenten zijn achtergehouden.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.674,-. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel op 17 mei 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 22 juni 2022 is niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond, en verweerder is veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 22/1352
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[eisers] , te [woonplaats] , eiser,
gemachtigde: [gemachtigde 1] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van Enschede, verweerder,
gemachtigde: [gemachtigde 2] .
Derde-belanghebbende: [bedrijf 1] BV, gevestigd te [plaats] , gemachtigde:
mr. H.J. Hoekman.
Procesverloop
Op 5 augustus 2021 heeft eiser bij verweerder een Wob-verzoek ingediend waarin hij vraagt om openbaarmaking van alle verslagen, notulen, e-mails, notities en memo’s documenten inzake de uitgevoerde incassoprocedure ten aanzien van [naam] tussen de gemeente Enschede en [bedrijf 2] BV in de periode van 1 oktober 2016 tot 1 juli 2021.
Bij besluit van 30 september 2021 heeft verweerder hierop beslist.
Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 22 juni 2022 heeft verweerder op het bezwaar van eiser beslist.
Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
Bij brief van 23 december 2022 heeft verweerder het bestreden besluit ingetrokken en vervangen door een nieuwe beslissing op bezwaar van dezelfde datum.
Bij brief van 9 januari 2023 heeft de gemachtigde aan de rechtbank de gevraagde toestemming ex artikel 8:29, vijfde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verleend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2023.
Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en stadsadvocaat D.K. ten Cate.
De derde-partij heeft zich, zoals tevoren aangekondigd, niet doen vertegenwoordigen.
Het beroep is gevoegd behandeld met het Wob-beroep dat eiser heeft ingesteld tegen een door verweerder genomen besluit op bezwaar van 23 november 2021 en bij de rechtbank geregistreerd is onder nummer AWB 21/2373. In beide zaken zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.
Overwegingen
Vooraf
Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo; Staatsblad 2021, 499), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500), in werking getreden. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wob wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus. Het besluit op bezwaar dat in deze zaak ter beoordeling staat, is genomen op 22 juni 2022 dus na 1 mei 2022. Daarom toetst de rechtbank dit besluit en het besluit van
23 december 2022, voor zover de rechtbank hieraan toe komt, aan de relevante regels in de Woo.
Vrijstelling van griffierecht
Eiser heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het aan de rechtbank verschuldigde griffierecht wegens betalingsonmacht. Mede gelet op de door eiser verstrekte gegevens heeft de griffier bij brief van 7 april 2022 vooralsnog afgezien van het heffen van griffierecht. De rechtbank is gelet op de door eiser verstrekte financiële gegevens van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt niet te beschikken over voldoende inkomen of vermogen, zodat terecht is afgezien van het heffen van griffierecht.
Geen procesbelang meer bij beoordeling besluit op bezwaar van 22 juni 2022
Omdat verweerder bij het nieuwe besluit op bezwaar van 23 december 2022 zijn eerdere besluit van 22 juni 2022 heeft ingetrokken, heeft eiser geen procesbelang meer bij zijn beroep voor zover het is gericht tegen dat besluit van 22 juni 2022. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk. Aangezien bij het besluit van 23 december 2022 niet volledig aan eiser tegemoet is gekomen merkt de rechtbank het beroep thans aan als te zijn gericht tegen het besluit van 23 december 2022.
1.2
Bij het primaire besluit van 30 september 2021 heeft verweerder het op 5 augustus 2021 door eiser gedane verzoek toegewezen en in totaal 53 documenten geheel of gedeel-telijk openbaar gemaakt. In deze openbaar gemaakte documenten zijn de namen, e-mailadressen, telefoonnummers en overige persoonlijke gegevens van de betrokken ambtenaren en andere betrokken personen onleesbaar gemaakt. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob. Voorts zijn in de bijlagen enkele zinnen en passages onleesbaar gemaakt, die persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren van de gemeente, als ook van andere personen betrokken bij dit dossier van buiten de gemeente, betreffen. Verweerder heeft zich daarbij beroepen op de absolute weigeringsgrond van artikel 11 vanPro de Wob. Verder is in de bijlagen de correspondentie van de Gemeenteadvocaat (hierna: GA) en anderen integraal onleesbaar gemaakt. Daarbij heeft verweerder zich beroepen op de weigeringsgrond van artikel 11 vanPro de Wob in samenhang met de geheimhoudingsplicht van artikel 11a van de Advocatenwet.
2. Het namens eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het besluit van
22 juni 2022 ongegrond verklaard. In het op 22 december 2022 nieuw genomen besluit op bezwaar heeft verweerder alsnog besloten het bezwaar gegrond te verklaren en besloten de integraal onleesbaar gemaakte uitgaande correspondentie van de gemeenteadvocaat (documentnummer 50) onder anonimisering van persoonsgegeven (op grond van artikel 5.1, lid 2 onder e Woo) alsnog openbaar te maken. De bijlagen behorende bij de e-mail van 13 juli 2017 (documentnummer 49) en bij de e-mail van 19 mei 2017 (documentnummer 50) worden niet openbaar gemaakt, omdat deze bijlage processtukken betreffen die ook als zodanig zijn opgesteld. Deze stukken vallen buiten de werkingssfeer van de Woo (artikel 8.8 Woo en artikel 29 RvPro), aldus verweerder.
Beroepsgronden eiser:
a. eiser is van mening dat het onjuist is dat de behandelaar genoemd bij de bevestiging indiening WOB, dezelfde persoon is dan de betrokken ambtenaar in de conflictsituatie. Eiser is van mening dat deze kwestie dient te worden beoordeeld door een ambtenaar die geen deel uit maakt van het behandelaarsteam.
b. Eiser heeft op voorhand gemeld dat er sprake is van een conflict/belangenverstrengeling. Met deze melding is niets gedaan, men gaat gewoon over tot de orde van de dag en doet verder of er niets aan de hand is.
c. Verweerder vermeldt dat [bedrijf 3] thans niet meer bestaat en hun website niet meer in de lucht is. Eiser bestrijdt dit, [bedrijf 3] bestaat nog op de dag van vandaag en hun website is normaal benaderbaar.
d. Eiser krijgt 53 documenten tot zijn beschikking; hiervan bevatten slechts 10 binnen het Wob-verzoek. De overige 43 zijn niet relevant en overigens incompleet;
e. Eiser stelt dat essentiële periodes ontbreken. Zoals over de periode 1 januari 2017 tot en met 1 juli 2017 is er geen enkele informatie beschikbaar, die er wel degelijk moeten zijn. In deze periode is de vordering door de gemeente ondergebracht bij de deurwaarder, teruggetrokken en alsnog per 27 maart 2017 via een dagvaarding weer in gang gezet. Gehele procedure ontbreekt in de toegezonden stukken. Bewijsmateriaal is hiervoor in handen bij eiser. Bij het starten van de rechtszaak was er al een lopende klacht. Document moet tussen deurwaarder en gemeente besproken zijn.
f. Bij de 10 aangeleverde correcte documenten ontbreken de bijlagen, zijn essentiële onderdelen zwart gemaakt en wordt het verzoek van de deurwaarder niet ingewilligd. Er wordt gevraagd om een afschrift van de gerechtelijke uitspraak. Hierop valt geen enkele reactie te vinden.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank merkt op dat eiser ter zitting nadrukkelijk heeft verklaard dat zijn beroep niet ziet op het door verweerder zwart lakken van bepaalde gegevens of het niet sturen van eerder opgemaakte processtukken. De rechtbank zal de bespreking van deze beroepsgrond dan ook achterwege laten.
Behandelaar Wob-verzoek gelijk aan betrokken ambtenaar in de conflictsituatie
4. Verweerder heeft aangegeven dat het niet ongebruikelijk is dat een ambtenaar die betrokken is geweest bij de totstandkoming van het primaire besluit de vertegenwoordiging doet namens het college tijdens de hoorzitting bij de Commissie Bezwaarschriften. Immers, deze ambtenaar kan het besluit doorgaans goed toelichten en vragen hieromtrent beantwoorden. De Awb verzet zich naar het oordeel van verweerder ook niet tegen de voorbereiding van beide besluiten (primair besluit en besluit op bezwaar) door dezelfde ambtenaar. De besluiten zelf zijn door het daartoe bevoegde college genomen, aldus verweerder. De rechtbank kan zich vinden in de door verweerder gegeven toelichting. Daarbij tekent de rechtbank aan dat haar niet is gebleken dat de betrokken ambtenaar enig persoonlijk belang bij de besluitvorming heeft gehad noch dat deze ambtenaar bij de besluitvorming in een conflictsituatie heeft verkeerd. Verder tekent de rechtbank nog aan dat deze ambtenaar niet betrokken is geweest bij het incassotraject of de gevolgde juridische procedure. De genoemde “conflictsituatie”(dagvaardingsprocedure) en de behandeling van het Wob-verzoek zijn ook naar het oordeel van de rechtbank twee volledig andere en ook los van elkaar staande procedures. De beroepsgrond slaagt niet.
[bedrijf 3]
5. Per 1 juli 2021 is de ambtelijke portefeuille van [bedrijf 3] overgenomen door [bedrijf 4] . Te zitting heeft de gemachtigde van verweerder herhaald dat correspondentie tussen de gemeente Enschede (afdeling Financieel Dienstencentrum) en [bedrijf 3] voornamelijk verliep via een digitale portal. Het kwam sporadisch voor dat er werd gemaild. Als gevolg van de genoemde overname heeft verweerder sinds 1 juli 2021 geen toegang meer tot deze digitale portal ten aanzien van “gesloten dossiers”. Hierdoor kan verweerder dit dossier niet meer raadplegen via de digitale portal. Het dossier is verder ook niet meer beschikbaar. De enige correspon-dentie tussen de gemeente Enschede en [bedrijf 3] inzake de incasso-procedure met [bedrijf 5] BV waarover verweerder thans nog beschikt zijn, onder anonimisering van persoonsgegevens, openbaar gemaakt. De rechtbank heeft geen reden gevonden hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet.
Essentiële procedures ontbreken
6. De meest ver strekkende beroepsgrond van eiser is zijn stelling dat documenten die zien op de periode 1 januari 2017 tot en met 1 juli 2017 volledig ontbreken en dat verweerder hiervoor verschillende verklaringen heeft gegeven.
7. De rechtbank heeft reeds aangegeven dat zij niet twijfelt aan de verklaring van verweerder dat zij geen toegang meer heeft tot genoemde digitale portal. Verder twijfelt de rechtbank niet aan de verklaring van verweerder dat er mogelijk meer communicatie heeft plaatsgevonden tussen de gemeente Enschede en [bedrijf 3] , doch hiervan geen documenten zijn opgemaakt die berusten onder verweerder. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de mededelingen van verweerder dat zij niet beschikt over documenten over genoemde periode niet ongeloofwaardig voor komt. Het feit dat tijdens de hoorzitting is verklaard dat het niet beschikken over deze documenten te verklaren viel door het opschonen van een mailbox, hetgeen achteraf niet juist bleek te zijn omdat er nog sprake was van een “on-line archief” doet hier niets aan af en heeft juist in het voordeel van eiser gewerkt nu raadpleging van dit archief nog tot de openbaarmaking van enkele mails heeft geleid.
Uit vaste jurisprudentie [1] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat het document toch onder het bestuursorgaan berust. Het bestuursorgaan moet daarbij wel inzichtelijk maken op welke wijze het naar de verzochte documenten heeft gezocht ( bijvoorbeeld afdelingsuitspraak 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1189).
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er nog bij verweerder documenten zouden berusten over de genoemde periode die verweerder ten onrechte niet of niet volledig openbaar heeft gemaakt. Het gestelde wantrouwen van eiser deelt de rechtbank niet. Dit betekent dat het beroep gericht tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond wordt verklaard.
6. Omdat verweerder het bestreden besluit van 22 juni 2022 heeft ingetrokken en vervangen door de beslissing van bezwaar van 23 december 2022, is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,-- en een wegingsfactor 1). Omdat niet gezegd kan worden dat de werkzaamheden nagenoeg identiek zijn geweest
is de rechtbank daarbij van oordeel dat niet gesproken kan worden van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Beslissing
De rechtbank:
-verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 juni 2022 niet-ontvankelijk;
-verklaart het beroep tegen het besluit van 23 december 2022 ongegrond;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, voorzitter, en mr. E.H. Hoekstra en
mr. F. Onrust, leden, in aanwezigheid van C. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
griffier voorzitter
De voorzitter is verhinderd te tekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.