Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.[B] ,
2.
[C],
1.De procedure
2.Samenvatting
3.De feiten
4.Het geschil, in conventie en in reconventie
5.De beoordeling
6.De beslissing
14 maart 2023. (ap)
Rechtbank Overijssel
Tussen huurder [A] en verhuurders [B] en [C] bestond een huurovereenkomst voor een woning die op 1 juli 2021 eindigde na een vaststellingsovereenkomst van 5 november 2019. Huurder vorderde schadevergoeding omdat verhuurders de woning niet zelf in gebruik namen maar verkochten. Verhuurders vorderden schadevergoeding wegens gebrekkige oplevering en onbetaalde huur.
De kantonrechter oordeelde dat de vordering van huurder niet toewijsbaar is omdat de vaststellingsovereenkomst het geschil over het einde van de huur definitief beëindigde en de verhuizing voor rekening van huurder kwam. Verhuurders konden geen schadevergoeding krijgen vanwege het ontbreken van een beginstaat en onvoldoende bewijs dat de woning slechter was achtergelaten dan bij aanvang.
De gevorderde boetes door verhuurders werden afgewezen omdat niet is vastgesteld dat huurder haar verplichtingen niet is nagekomen en omdat de woning inmiddels is verkocht, waardoor geen belang meer bestaat bij nakoming. Wel werd huurder veroordeeld tot betaling van € 100 openstaande huur met wettelijke rente. Proceskosten werden verdeeld in het nadeel van de partij die grotendeels in het ongelijk werd gesteld.
Uitkomst: Vorderingen huurder afgewezen, verhuurders krijgen €100 voor openstaande huur toegewezen.