Verzoekers hadden een huurovereenkomst voor de duur van één jaar gesloten met de verhuurster, waarbij was bepaald dat zij de woning eerder moesten verlaten indien de verhuurster eerder een predikant zou vinden. De huurovereenkomst is inmiddels verlopen en verzoekers hebben een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd. Zij vroegen de rechtbank om een moratorium te verlenen op grond van artikel 287b Faillissementswet, teneinde een minnelijke schuldregeling te kunnen starten en de ontruiming van hun woning te voorkomen.
De rechtbank oordeelde dat verzoekers ontvankelijk waren omdat zij tegelijkertijd met het moratoriumverzoek ook een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling hadden ingediend. De rechtbank overwoog echter dat het moratorium niet bedoeld is om een reeds geëindigde huurovereenkomst voor bepaalde tijd te verlengen, waardoor verzoekers langer in de woning kunnen blijven. Bovendien woog het belang van de verhuurster zwaarder dan dat van verzoekers.
De rechtbank wees het verzoek daarom af en droeg verzoekers op uiterlijk 6 maart 2023 schriftelijk kenbaar te maken of zij het verzoek tot schuldsanering handhaven of intrekken. Bij uitblijven van een reactie zouden zij niet-ontvankelijk worden verklaard in hun verzoek tot schuldsanering. Het vonnis werd gewezen door mr. M.M. Verhoeven en uitgesproken op 6 februari 2023.