Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.De procedure
2.De verdere beoordeling – zowel in conventie als in reconventie
Waarover deze zaak gaat en de stand van de procedure.
- de 48 nog resterende door [A] gestelde overtredingen van de dwangsomveroordeling;
- het beroep op verrekening (verweer 6 genoemd in het tussenvonnis van 2 november 2022);
- de proceskosten in conventie;
- de gevorderde verklaring voor recht in reconventie, dat [B] geen dwangsommen is verschuldigd.
derdenvoor het huren van grond, in de zin van artikel 6 van Pro de vof-akte, is immers geen sprake. Niet de vof, maar [B] in privé is verbonden aan de huurovereenkomst(en) met derden. Verder geldt dat [B] geen derde is in de zin van de vof-akte. Artikel 6 van Pro de vof-akte laat het de vennoten toe om huurovereenkomsten te sluiten tussen de vof en de vennoten, zoals hier aan de orde. Kortom, van overtreding van de dwangsomveroordeling is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
voortgezetgebruik. De overeenkomst is immers op [datum] om 10:40 uur ondertekend. [B] licht zijn stelling ook niet toe. De rechtbank houdt het erop dat [B] de vof door deze overeenkomst heeft gebonden, hetgeen vanwege het ontbreken van toestemming van [A] in strijd is met de vof-akte.
rechtshandelingente verrichten namens de vof, waarvan de waarde een bedrag van € 5.000,00 te boven gaat. Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard (artikel 3:33 BW Pro). Het zijn dus niet de facturen die rechtshandeling definiëren, maar de inhoud van de rechtshandeling zelf: het aangaan van de verbintenis tot koop en levering van een partij maïs tegen betaling van een bepaalde prijs. De rechtshandeling is niet op te knippen in kleinere delen.
‘Onderstel met 560 45 r22.5 banden klaar gemaakt, klant doet hem zelf spuiten en onder de wagen bouwen De voorste vier wielen gaan van het oude onderstel over’.Die schermafbeelding suggereert dat [B] aanvullende werkzaam zal (laten) verrichten. Daarom concludeert de rechtbank dat [A] onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat [B] in strijd met de vof-akte heeft gehandeld in verband met de aankoop van het zevenwielig tandem. Dat [B] het heeft nagelaten om in te gaan op een betaling van 2 december 2021 ter hoogte van € 3.873,20 brengt aan het voorgaande geen verandering, aangezien [A] in dit verband geen stelling heeft ingenomen. [A] heeft een bewijsaanbod gedaan door [U] te horen, maar omdat [A] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht zal de rechtbank aan dat bewijsaanbod voorbijgaan.