ECLI:NL:RBOVE:2022:3612
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van verkrachting op 15 december 2019
Op 15 december 2019 werd verdachte beschuldigd van het verkrachten van aangeefster door het seksueel binnendringen met zijn vinger. De officier van justitie stelde dat de verklaring van aangeefster werd ondersteund door een e-mail aan haar psycholoog, een audio-opname van een gesprek tussen verdachte en aangeefster, en de verklaring van verdachte zelf.
De verdediging betoogde dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar waren en onvoldoende werden ondersteund door bewijs. De e-mail was afkomstig van dezelfde bron en de psycholoog had geen emoties kunnen waarnemen. De datum van de audio-opname kon niet worden vastgesteld en verdachte had niet erkend te hebben verkracht. De verklaring van verdachte bij de politie was onvoldoende concreet.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet voldeed aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv, omdat de verklaringen van aangeefster onvoldoende steun vonden in ander bewijs. De e-mail en audio-opname boden onvoldoende aanknopingspunten en de verklaring van verdachte was niet ondersteunend. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding en werd verwezen naar de burgerlijke rechter. Het vonnis werd op 22 november 2022 uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van verkrachting.