Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ),
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
In deze kort geding procedure tussen verhuurder en huurder over een bedrijfsruimte met kamerverhuur aan een adres te Hengelo, vordert de verhuurder ontruiming en betaling van achterstallige huur. De huurder had eerder een huurachterstand opgebouwd en maakte aanspraak op huurprijsvermindering wegens gebreken en coronacrisis. Na eerdere procedure werd de huurprijs verminderd en een deel van de huurachterstand toegewezen.
Bij deze procedure is de ontruiming gevorderd wegens een nieuwe huurachterstand. De huurder betaalde de achterstand grotendeels vlak voor de mondelinge behandeling, maar niet de laatste maanden. De huurder stelt dat verhuurder naliet de gebreken te herstellen en beroept zich op opschortingsrecht. De kantonrechter constateert dat de verhuurder onvoldoende actie heeft ondernomen om de gebreken te verhelpen en dat de huurder de huurachterstand grotendeels heeft ingelopen.
De kantonrechter oordeelt dat ontruiming slechts kan worden toegewezen als het zeer waarschijnlijk is dat de huurovereenkomst in de bodemprocedure wordt ontbonden en er sprake is van een ernstige tekortkoming. Dit is hier onvoldoende aannemelijk. Ook de kwestie van de nutsaansluitingen leent zich niet voor een voorlopige voorziening. De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de resterende huurachterstand van €3.500, exclusief rente vanaf 20 september 2022, en draagt de proceskosten.
Uitkomst: De ontruimingsvordering wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld tot betaling van een huurachterstand van €3.500 met wettelijke rente.