Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2022:2376

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
23 mei 2022
Publicatiedatum
18 augustus 2022
Zaaknummer
279977 / FT-RK 22/198
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 FwArt. 288 lid 3 FwArt. 350 lid 3 FwArt. 292 lid 3 FwArt. 361 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling wegens eerdere toepassing binnen tien jaar

De rechtbank Overijssel behandelde het verzoek van een alleenstaande moeder tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Eerder was de regeling op haar van toepassing geweest van december 2014 tot maart 2016, maar deze was tussentijds beëindigd wegens onvoldoende nakoming van verplichtingen.

De rechtbank overwoog dat ingevolge artikel 288 lid 2 onder Pro d Faillissementswet het verzoek moet worden afgewezen indien minder dan tien jaar zijn verstreken sinds de eerdere toepassing van de schuldsaneringsregeling, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn die hier niet spelen. De verzoekster had onvoldoende gesolliciteerd en geen bewijs van arbeidsongeschiktheid geleverd.

Hoewel de verzoekster stelde dat haar situatie was verbeterd en zij onder bewind was gesteld, achtte de rechtbank dit onvoldoende om de afwijzingsgrond te doorbreken. De hardheidsclausule van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro is beperkt tot specifieke gevallen die hier niet aan de orde zijn.

De rechtbank concludeerde dat het verzoek daarom moet worden afgewezen en wees het verzoek af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat minder dan tien jaar zijn verstreken sinds de eerdere beëindiging zonder schone lei.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 279977 / FT-RK 22/198
Datum vonnis: 23 mei 2022
Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoekster] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats]
verzoeker, verder te noemen: [verzoekster] .
Ten aanzien van de goederen van [verzoekster] is op 10 maart 2016 een onderbewindstelling uitgesproken met benoeming van [A] (handelend onder de naam Arca Match) tot (beschermings)bewindvoerder.

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Het verzoek is behandeld ter zitting van 16 mei 2022, waarvan aantekeningen zijn gemaakt. Ter zitting zijn [verzoekster] en mevrouw [B] , zakenbehandelaar bij Arca Match, verschenen. Verder is er niemand verschenen.
Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten:
[verzoekster] is een alleenstaande vrouw en moeder van drie minderjarige kinderen.
Van 23 december 2014 tot 22 maart 2016 is de wettelijke schuldsaneringsregeling op [verzoekster] van toepassing geweest. Op 3 augustus 2015 heeft de bewindvoerder verzocht om een tussentijdse beëindiging. Bij tussenvonnis van 13 oktober 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden (het overlijden van haar moeder en de opvang van de kinderen van haar verslaafde zus), [verzoekster] in de gelegenheid zou worden gesteld om alsnog aan de verplichtingen van de wettelijke schuldsaneringsregeling te voldoen. De bewindvoerder werd verzocht om de rechtbank na drie maanden te berichten over de nakoming van de verplichtingen door [verzoekster] en heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
De bewindvoerder heeft in zijn verslag van 5 januari 2016 aan de rechtbank bericht dat [verzoekster] zich nog altijd onvoldoende inspant om een betaald dienstverband te verwerven. Bij vonnis van 23 maart 2016 is de regeling alsnog tussentijds beëindigd.
De overwegingen van de rechtbank:
Gebleken is dat ten aanzien van [verzoekster] de schuldsaneringsregeling eerder van toepassing is geweest in de periode van 23 december 2014 tot 22 maart 2016. Deze toepassing is op laatstgenoemde datum beëindigd op grond van artikel 350 lid Pro 3, onder c Faillissementswet.
In het betreffende vonnis van 22 maart 2016 heeft de rechtbank overwogen dat
" [verzoekster] , ondanks de uitzonderlijke laatste kans die haar op 13 oktober 2015 in het tussenvonnis is gegeven, alsnog de verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling niet naar behoren is nagekomen. [verzoekster] heeft immers vanaf 13 oktober 2015 tot en met heden volstrekt onvoldoende gesolliciteerd, terwijl zij ook geen bewijs van arbeidsongeschiktheid heeft overgelegd. […] De rechtbank concludeert op grond van vorenstaande dat het [verzoekster] aan een saneringsgerichte houding ontbreekt".
Ingevolge artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw wordt het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen indien minder dan tien jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, ten aanzien van de schuldenaar de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, tenzij deze toepassing is beëindigd op grond van artikel 350 lid Pro 3, onder a of b, Fw of op grond van artikel 350 lid Pro 3, onder d, Fw, om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen. Met de invoering van de wet van 24 mei 2007 (Stb. 192), houdende wijziging van de Faillissementswet in verband met herziening van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, heeft de wetgever bewust – ter vervanging van de vóór 1 januari 2008 geldende facultatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, onder a, Fw – gekozen voor de imperatieve afwijzingsgrond van artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw. Met deze wijziging – zo valt af te leiden uit de parlementaire geschiedenis – is beoogd invulling te geven aan een van de hoofddoelstellingen van de nieuwe regeling, te weten beheersing van het toenemende beroep op de schuldsaneringsregeling en de daarmee gepaard gaande toenemende werklast voor rechter en bewindvoerder.
De rechtbank begrijpt uit de overwegingen van het beëindigingsvonnis van 22 maart 2016, alsmede uit hetgeen mevrouw [B] ter gelegenheid van de zitting heeft opgemerkt, dat de drie in artikel 288 lid Pro 2, aanhef en onder d, Fw genoemde uitzonderingen zich in het onderhavige geval niet voordoen. Aldus leidt naar het oordeel van de rechtbank het imperatieve karakter van de onderhavige afwijzingsgrond ertoe dat het verzoek dient te worden afgewezen.
Aan dit oordeel kan niet afdoen hetgeen [verzoekster] ter onderbouwing van haar verzoek heeft aangevoerd, namelijk – samengevat – dat de kans op een schone lei is toegenomen doordat er meer structuur en regelmaat in haar leven is gekomen, zij meer inzicht en overzicht heeft gekregen in haar schuldenpositie, zij sinds 10 maart 2016 onder beschermingsbewind is gesteld en zij voorts in een sociaal en emotioneel betere positie is komen te verkeren. Weliswaar kent artikel 288 lid 3 Fw Pro een hardheidsclausule voor schuldenaren waarvan is gebleken dat zij hun eerdere problematiek onder controle hebben, maar in deze bepaling wordt toepassing van de hardheidsclausule nadrukkelijk beperkt tot de twee daar genoemde gevallen, namelijk het ontbreken van ‘goede trouw’ en de aanwezigheid van strafrechtelijk gerelateerde schulden. Deze gevallen doen zich in de onderhavige situatie niet voor.
Voor een uitbreiding van de toepassing van de hardheidsclausule in artikel 288 lid 3 Fw Pro naar het onderhavige geval – eerdere toepassing van de schuldsaneringsregeling in de tien jaar vóór het verzoek – ziet de rechtbank geen aanleiding. Als overwogen, biedt de tekst van deze bepaling daartoe geen aanknopingspunten. Ook in de parlementaire geschiedenis heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden die grond geven voor de veronderstelling dat de bepaling – die binnen de systematiek van artikel 288 Fw Pro dient te worden beschouwd als een uitzonderingsregeling – ook kan worden toegepast in het onderhavige geval. Wel valt, zoals hiervoor is overwogen, in de parlementaire geschiedenis te lezen dat de regel dat hernieuwde toegang tot de regeling wordt ontzegd aan schuldenaren op wie in de tien jaar voorafgaande aan het verzoekschrift de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, past binnen het strengere toegangsbeleid van de herziening van de Wsnp (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 942, nr.3, p.21). Met dit uitgangspunt lijkt bezwaarlijk verenigbaar een uitbreiding van de toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro naar niet in dit artikel uitdrukkelijk genoemde gevallen.
Het vorenstaande voert dan ook tot de slotsom dat het verzoek dient te worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare
terechtzitting van 23 mei 2022 in tegenwoordigheid van de griffier [1] .