ECLI:NL:RBOVE:2022:1928

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 februari 2022
Publicatiedatum
4 juli 2022
Zaaknummer
77898 KG RK 22-102
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter wegens vermeende vooringenomenheid in strafzaak afgewezen

In een strafzaak tegen verzoeker vond op 25 februari 2022 een wrakingsverzoek plaats tegen mr. A.M. Rikken, lid van de meervoudige strafkamer. Verzoeker stelde dat de rechter vooringenomen was vanwege opmerkingen over zijn nonchalante houding, het ontbreken van spijt en het feit dat de rechter niets nieuws had gehoord tijdens de zitting.

De rechtbank nam kennis van het proces-verbaal, de bandopname en de toelichtingen van beide partijen. De rechter ontkende vooringenomenheid en legde uit dat zijn opmerkingen bedoeld waren als prikkelende vragen om wederhoor uit te lokken, mede omdat verzoeker pas ter zitting een bekennende verklaring had afgelegd.

De wrakingskamer oordeelde dat de opmerkingen van de rechter binnen zijn taak en vrijheid vielen en niet als vooringenomenheid konden worden opgevat. Er was geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard.

De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en schriftelijk vastgelegd op 2 maart 2022. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen mr. A.M. Rikken werd ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Almelo
zaaknummer / rekestnummer: 277898 KG RK 22-102
Beslissing van 25 februari 2022
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking

1.De procedure

1.1.
In de strafzaak tegen [woonplaats] (verder: verzoeker) onder parketnummer 08-275035-20 heeft op 25 februari 2022 een openbare terechtzitting plaatsgevonden, met mr. A.M. Rikken als lid van de meervoudige strafkamer.
1.2.
Bij gelegenheid van de behandeling ter terechtzitting heeft de raadsman van verzoeker namens hem een mondeling verzoek tot wraking van mr. Rikken gedaan, zoals blijkt uit het proces-verbaal van het wrakingsverzoek van 25 februari 2022.
1.3.
Mr. Rikken heeft niet berust in de wraking.
1.4.
Het wrakingsverzoek is op 25 februari 2022 in het openbaar behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoeker met zijn raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem,
- mr. Rikken,
- de officier van justitie mr. L.J. Brinkhorst als toehoorder.
1.5.
De wrakingskamer heeft kennis genomen van het proces-verbaal van wraking van 25 februari 2022, van de door de rechtbank gemaakte bandopname van de strafzitting en van de standpunten en toelichtingen van verzoeker en de gewraakte rechter tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek.
1.6.
De wrakingskamer heeft na afloop van de mondelinge behandeling van het verzoek, na een schorsing, mondeling uitspraak gedaan. Daarbij is kenbaar gemaakt dat de schriftelijke uitwerking van de beslissing zo spoedig mogelijk zou volgen en dat de motivering zoals opgenomen in deze schriftelijke uitwerking leidend is voor de beslissing.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. De gewraakte rechter heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting de opmerking gemaakt dat verzoeker een nonchalante houding aannam en hij heeft gezegd dat hij, naar aanleiding van de eerst ter zitting afgelegde bekennende verklaring van verzoeker, niets nieuws heeft gehoord, terwijl verzoeker naar eer en geweten heeft getracht een verklaring af te leggen. Ook heeft verzoeker volgens de rechter geen spijt van zijn handelen gehad. Verzoeker heeft hierdoor het gevoel gekregen dat er op het onderzoek ter terechtzitting al een strafmaatoverweging werd geformuleerd en de rechter daarom niet meer onbevangen is. Volgens verzoeker heeft de rechter al een oordeel gegeven over vragen die pas na het onderzoek ter terechtzitting moeten worden beantwoord. Het hebben van spijt/berouw is immers straf matigend. Door te zeggen dat hij niets nieuws heeft gehoord geeft de rechter impliciet een oordeel over de omvang van de rol van verzoeker in het geheel, waarin besloten ligt dat de rechter verzoeker niet gelooft. Uit de opmerking dat verzoeker een nonchalante houding had, blijkt dat de rechter verzoeker niet serieus neemt, aldus verzoeker.

3.Het standpunt van mr. Rikken

3.1.
De rechter heeft ontkend dat hij vooringenomen is. Volgens hem is er ook geen sprake van een objectief gerechtvaardigde vrees bij verzoeker voor vooringenomenheid van de rechter. De achtergrond van zijn opmerkingen is dat verzoeker tot de zitting niets had verklaard en eerst ter zitting een bekennende verklaring aflegde. De rechter heeft toegelicht dat hij een eerst ter zitting gegeven verklaring altijd goed en kritisch beluistert, omdat een verdachte dan ruimschoots toegang heeft gehad tot de informatie in het strafdossier. De rechter heeft dit ook aan verzoeker uitgelegd alvorens hij zijn vragen stelde. De rechter heeft zich gedurende het gehele proces een bepaald beeld van verzoeker gevormd. Tijdens de zitting is dat beeld prikkelend aan verzoeker voorgehouden met de bedoeling het ontstane beeld te verifiëren en een reactie uit te lokken. De opmerking niets nieuws gehoord te hebben slaat op de bij de rechter opgekomen vraag of verzoeker verklaarde volgens- en passend binnen de inhoud van het dossier, of ruimer, over wat er naar zijn idee was gebeurd. Verzoeker is voorgehouden dat de rechter hem niet heeft horen zeggen dat hij spijt had, terwijl het hier om een ernstig strafbaar feit gaat. Bovendien was het voor de rechter de vraag waarvan hij dan spijt had. De opmerking over de nonchalante houding van verzoeker houdt verband met de indruk die de rechter gedurende het proces van verzoeker heeft gekregen, inhoudende dat hij belangrijke vragen van de rechtbank over zijn rol en handelen niet of vaag beantwoorde. Bij dit alles zijn door de rechter meermaals vragen gesteld zoals “Klopt dit?” en “of zie ik dat verkeerd?”, of woorden van gelijke strekking, aldus de rechter. Deze controlevragen zijn niet beantwoord.

4.De beoordeling

4.1.
Op grond van artikel 512 Wetboek Pro van Strafvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking als - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
4.2.
Naar het oordeel van de wrakingskamer vormen de aan de wraking ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden, ieder op zich en in onderlinge samenhang bezien, geen grond voor de vrees bij verzoeker dat de rechter vooringenomen of partijdig is, of dat de schijn daarvan is gewekt.
4.3.
De wrakingskamer overweegt dat de wraking is gedaan nadat verzoeker in zijn strafzaak een bekentenis had afgelegd in lijn met het dossier. Voor de wraking heeft verzoeker drie gronden aangevoerd: 1) de opmerking van de rechter over een nonchalante houding van verzoeker, 2) de opmerking van de rechter dat hij ter zitting niets nieuws gehoord heeft en 3) de opmerking dat verzoeker volgens de rechter geen spijt van zijn handelen had. Deze opmerkingen maakten dat verzoeker dacht te maken te hebben met een vooringenomen rechter. Ze werden door hem geïnterpreteerd als oordeel.
4.4.
De wrakingskamer stelt voorop dat een kritische en/of prikkelende bevraging behoort tot de taak, ruimte en vrijheid die een (straf)rechter heeft in de wijze waarop hij de zaak behandelt. Daarbij dient de rechter toepassing te geven aan het (fundamentele) beginsel van hoor en wederhoor. In een strafprocedure vindt dit onder meer plaats door met (kritische) vragen bepaalde zaken of ontstane indrukken uit het dossier voor te houden aan procespartijen en daar een reactie op vragen. De wrakingskamer heeft de uitlatingen en vragen van de rechter in deze zin opgevat. De opmerkingen van de rechter over de houding van verzoeker, over het niets nieuws gehoord hebben en het gebrek aan spijt van verzoeker, ziet de wrakingskamer mede gelet op de vervolgens door de rechter gestelde controlevragen, niet als oordeel maar als een prikkelende vraagstelling jegens verzoeker, met het doel om wederhoor uit te lokken. Voorts betreft de opmerking dat de rechter niets nieuws heeft gehoord in de gegeven context geen oordeel over (de verwijten jegens) verzoeker, maar een constatering dat de rechter, na het lezen van het dossier en het horen van de verklaring van verzoeker, niets heeft gehoord dat niet uit het dossier viel af te leiden. Verzoeker werd vervolgens om een reactie gevraagd. Het handelen van de rechter getuigt er naar het oordeel van de wrakingskamer niet van dat hij niet onbevangen was en doet evenmin afbreuk aan de geboden onpartijdigheid jegens verzoeker, of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Het wraken alvorens de vragen van de rechter te hebben beantwoord en zijn reactie daarop te hebben afgewacht, was bovendien prematuur.
4.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer het verzoek tot wraking van mr. Rikken ongegrond verklaren.

5.De beslissing

De rechtbank
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. A. Smedes, A.M. van Diggele en W.W. van Tol, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2022 en op schrift gesteld op 2 maart 2022.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.