ECLI:NL:RBOVE:2022:1537

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 mei 2022
Publicatiedatum
31 mei 2022
Zaaknummer
9672453 \ CV EXPL 22-460
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:29 BWArt. 6:119 BWArt. 237 lid 5 RvArtikel 2 Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling achterstallige huur en incassokosten afgewezen voor toekomstige termijnen

De zaak betreft een geschil tussen woonstichting Vechthorst en een huurder over niet-betaalde huur van november 2021. Vechthorst vordert betaling van de achterstallige huur, incassokosten, wettelijke rente en toekomstige huurtermijnen vanaf 1 februari 2022.

De huurder erkent de achterstand en betaalt maandelijks € 60,00 om deze in te lopen, maar kan niet ineens het volledige bedrag voldoen. De kantonrechter oordeelt dat de huurder niet zelf kan bepalen in termijnen te betalen en dat Vechthorst gerechtigd is betaling ineens te eisen. De beslagvrije voet is irrelevant voor de vordering tot betaling.

De rechtbank veroordeelt de huurder tot betaling van het resterende bedrag van € 447,99 plus incassokosten van € 113,98 en wettelijke rente vanaf dagvaarding. De vordering voor toekomstige huurtermijnen wordt afgewezen omdat deze nog niet opeisbaar waren. Proceskosten worden deels toegewezen en verminderd op grond van artikel 237 lid 5 Rv Pro.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Huurder wordt veroordeeld tot betaling van resterende huurachterstand, incassokosten en wettelijke rente, maar niet tot betaling van toekomstige huurtermijnen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer : 9672453 \ CV EXPL 22-460
Vonnis van 24 mei 2022
in de zaak van
de stichting
WOONSTICHTING VECHTHORST,
gevestigd te Nieuwleusen,
eisende partij, hierna te noemen Vechthorst,
gemachtigde: mr. Th. Van Wijngaarden (Smit en Legebeke Gerechtsdeurwaarders)
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde] ,
gemachtigde: A.M. Taconis (Juridix).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2022;
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] ;
- de conclusie van repliek van Vechthorst;
- de conclusie van dupliek van [gedaagde] .
1.2.
Namens [gedaagde] is in de conclusie van antwoord om vergoeding van de werkelijke salariskosten verzocht. Vechthorst heeft dat in haar conclusie van repliek aangemerkt als eis in reconventie en daarom een conclusie van antwoord in reconventie genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het verzoek van [gedaagde] geen eis in reconventie, maar een verzoek in verband met de (ambtshalve) toepassing van artikel 237 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De conclusie van Vechthorst wordt dan ook (enkel) als conclusie van repliek aangemerkt.
1.3.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.

2.Inleiding

Waar de zaak over gaat

2.1.
Deze zaak gaat over een geschil over een huurachterstand. [gedaagde] huurt van Vechthorst een woning aan het [adres] in [plaats]. De huurprijs is op dit moment € 627,99 per maand. [gedaagde] heeft de huurprijs voor november 2021 niet betaald.
De vordering
2.2.
Vechthorst wil nu dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de achterstallige huurprijs van november 2021 te betalen (te verminderen met wat [gedaagde] inmiddels heeft betaald). Vechthorst wil ook dat [gedaagde] alvast wordt veroordeeld om de huur te betalen die zij vanaf 1 februari 2022 verschuldigd zal zijn. Daarnaast wil Vechthorst dat [gedaagde] de incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten betaalt.
Het verweer
2.3.
[gedaagde] heeft erkend dat zij de huurprijs voor november 2021 nog moet voldoen. Zij kan de huurprijs niet ineens betalen, dus betaalt zij € 60,00 per maand om de achterstand in te lopen. Daarnaast is [gedaagde] van mening dat de kantonrechter rekening moet houden met de beslagvrije voet.
2.4.
Door de gemachtigde van [gedaagde] wordt een vergoeding gevraagd van de uren die hij heeft gemaakt om [gedaagde] in deze procedure bij te staan.
Het geschil
2.5.
De vraag in dit geschil is of Vechthorst gerechtigd is om in deze procedure te vorderen dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de huur van november 2021 ineens aan Vechthorst te betalen.

3.De beoordeling

3.1.
De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen om het resterende deel van de huurprijs van november 2021 aan Vechthorst te betalen. Tot betaling van de toekomstige huurtermijnen kan [gedaagde] niet worden veroordeeld. Wel moet zij de incassokosten en de wettelijke rente over de achterstallige huurprijs betalen. Die beslissing zal hierna worden toegelicht.
De achterstallige huur van november 2021
3.2.
Vast staat dat [gedaagde] de huur van november 2021 niet heeft betaald. Ook al doet [gedaagde] erg haar best om de achterstand in te lopen, Vechthorst is niet verplicht om akkoord te gaan met een betaling in termijnen (dat staat in artikel 6:29 BW Pro). [gedaagde] kan daarom niet zelf bepalen dat zij de huurachterstand in termijnen zal betalen. Om dezelfde reden mag Vechthorst, om haar moverende redenen aan een dergelijke betalingsregeling de voorwaarde verbinden om eerst persoonlijk contact via de telefoon te hebben en niet via e-mail. Dat [gedaagde] zich aan haar zelf opgestelde betalingsregeling houdt, betekent niet dat Vechthorst geen betaling in één keer mag eisen. Zoals de gemachtigde in zijn brief d.d. 10 januari 2022 zelf al aan de gemachtigde van Vechthorst heeft geschreven, het is haar “goed recht” om de stap naar de rechter te zetten.
3.3.
[gedaagde] heeft daarnaast een beroep gedaan op de beslagvrije voet. De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waar de deurwaarder geen beslag op mag leggen. Deze beperking bij beslaglegging bij tenuitvoerlegging van een rechterlijk vonnis staat echter los van de vraag of [gedaagde] de huurachterstand überhaupt verschuldigd is. Weliswaar had [gedaagde] de geldvordering van Vechthorst al erkend, maar dat ontzegt Vechthorst niet het recht om hiervoor een executoriale titel te vorderen. Ook dat verweer kan dus niet tot afwijzing van de vordering leiden.
3.4.
Voor zover [gedaagde] nog heeft betoogd dat Vechthorst artikel 2 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening heeft geschonden, zal de kantonrechter aan dat verweer voorbijgaan. [gedaagde] heeft dit pas bij conclusie van dupliek aangevoerd en Vechthorst heeft daarop niet meer kunnen reageren.
3.5.
De vordering om de achterstallige huurprijs te betalen zal dus worden toegewezen. Op het moment van de dagvaarding had [gedaagde] een bedrag van € 120,00 aan Vechthorst voldaan. In de conclusie van repliek heeft Vechthorst erkend dat [gedaagde] nog eens € 60,00 heeft betaald. Er zal dus een bedrag van € 627,99 - € 180,00 = 447,99 worden toegewezen.
[gedaagde] heeft in de conclusie van dupliek gesteld dat zij nog eens € 60,00 aan Vechthorst heeft voldaan. Nu Vechthorst daarop niet meer heeft kunnen reageren, zal de kantonrechter dit bedrag niet in mindering brengen op de vordering. De kantonrechter gaat er vanuit dat indien deze betaling is gedaan, Vechthorst dit bedrag in mindering zal brengen op de toe te wijzen hoofdsom.
De rente en incassokosten
3.6.
Omdat [gedaagde] de huurprijs niet op tijd heeft betaald en zij voor die achterstand is aangemaand, moet zij ook de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betalen. Vechthorst heeft een aanmaning gestuurd die voldoet aan de wettelijke eisen. De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden berekend over de oorspronkelijke hoofdsom van € 627,99, want de betalingen van [gedaagde] hebben pas plaatsgevonden na de aanmaningen van Vechthorst en haar gemachtigde. De buitengerechtelijke incassokosten zullen aan de hand van het toepasselijke tarief worden toegewezen tot een bedrag van € 113,98.
3.7.
Er zal dus in totaal een bedrag van € 447,99 (aan achterstallige huur) + € 113,98 (aan incassokosten) = € 561,97 worden toegewezen.
3.8.
De wettelijke rente zal – zoals gevorderd – worden toegewezen over een bedrag van € 567,99 vanaf de dag van dagvaarding (27 januari 2022) tot de dag van volledige betaling.
De huurtermijnen vanaf 1 februari 2022
3.9.
De vordering tot betaling van de huurtermijnen vanaf 1 februari 2022 zal worden afgewezen. Door Vechthorst is niet gesteld dat [gedaagde] deze huurtermijnen niet heeft betaald of dat er een reden bestaat om aan te nemen dat zij de huurtermijnen in de toekomst niet zal betalen. Omdat die toekomstige huurtermijnen ten tijde van de dagvaarding nog niet opeisbaar waren, en Vechthorst haar vordering niet heeft vermeerderd, komen deze toekomstige huurtermijnen nog niet voor toewijzing in aanmerking.
De proceskosten
3.10.
[gedaagde] wordt in deze procedure grotendeels in het ongelijk gesteld en zal de proceskosten aan de zijde van Vechthorst moeten betalen. Het verzoek om betaling van de gemaakte kosten aan de zijde van [gedaagde] zal dan ook worden afgewezen.
De proceskosten aan de zijde van Vechthorst worden tot op heden begroot op € 128,90 aan kosten voor de dagvaarding, € 322,00 aan griffierecht en € 248,00 aan salaris voor de gemachtigde van Vechthorst (2 punten x het tarief van € 124,00). Dat is in totaal € 698,90. Maar op grond van artikel 237 lid 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt de kantonrechter dat [gedaagde] aan Vechthorst slechts het griffierecht hoeft te vergoeden dat zij verschuldigd zou zijn geweest als zij zelf eisende partij zou zijn geweest. Dat is in dit geval een bedrag van € 214,00. Dat betekent dat zij in totaal een bedrag van € 590,90 aan proceskosten moet vergoeden.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 561,97 aan Vechthorst te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 januari 2022 tot de dag van volledige betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om de proceskosten aan de zijde van Vechthorst te betalen, begroot op € 590,90;
4.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2022. (SB)