Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het verloop van de procedure
2.De standpunten van de veroordeelde, diens raadsman en de officier van justitie
3.De ontvankelijkheid
4.De beoordeling
5.De beslissing
ongegrond.
Rechtbank Overijssel
Een 26-jarige veroordeelde heeft bezwaar gemaakt tegen de tenuitvoerlegging van 121 dagen vervangende hechtenis, omdat hij zijn taakstraffen niet had uitgevoerd. De veroordeelde gaf aan vanwege verstandelijke beperkingen en instabiliteit op meerdere leefgebieden niet te hebben kunnen functioneren en wilde eerst een klinische behandeling ondergaan. Hij stelde dat de corona-maatregelen het uitvoeren van de taakstraf bemoeilijkten en bood excuses aan voor zijn gedrag richting de reclassering.
De officier van justitie stelde dat de veroordeelde niet zodanig geestelijk beperkt was dat hij de taakstraf niet kon uitvoeren en dat de vervangende hechtenis terecht was bevolen. De reclassering adviseerde geen herkansing vanwege het agressieve gedrag van de veroordeelde en de veiligheid van medewerkers.
De politierechter stelde vast dat de veroordeelde geen enkel uur van de taakstraf had uitgevoerd en dat hij voldoende kansen had gehad. Het bezwaarschrift werd ontvankelijk verklaard ondanks het ontbreken van een akte van uitreiking, maar inhoudelijk ongegrond omdat de beslissing van het openbaar ministerie niet hoefde te worden gewijzigd.
De uitspraak werd op 17 februari 2021 in het openbaar gedaan door politierechter B.W.M. Hendriks in Almelo.
Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is ongegrond verklaard.