Eiser verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om documenten over beleid en praktijk rondom kunstgrasvelden in Almelo, waaronder informatie over aanleg, onderhoud en betrokken partijen. Het college van burgemeester en wethouders van Almelo wees het verzoek deels af, met name inzake namen van betrokkenen en productinformatie, vanwege bescherming van persoonlijke levenssfeer en bedrijfsgevoelige gegevens.
Na bezwaar verklaarde het college een deel van het bezwaar gegrond en maakte enkele namen openbaar, maar handhaafde de weigering voor andere gegevens. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Overijssel. De rechtbank oordeelde dat de motivering voor het achterhouden van namen van rechtspersonen onvoldoende was en dat het belang van openbaarheid zwaarder woog. Ook werd geoordeeld dat de motivering voor het niet openbaar maken van productnamen, aanbestedingsstukken en werktekeningen ontbrak of onvoldoende was.
De rechtbank stelde vast dat het college onvoldoende duidelijk maakte welke passages op welke gronden waren geweigerd, mede door het gebruik van 'witten' in plaats van 'zwarten'. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.