Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
1.
hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Zwolle, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet [slachtoffer 1] een of meer malen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of stompen en/of een kopstoot tegen diens hoofd, althans het lichaam, te geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
primaironder 1 tenlastegelegde poging tot zware mishandeling op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken omdat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte een kopstoot heeft gegeven, laat staan met een dusdanige kracht dat daardoor zwaar lichamelijk letsel te verwachten was.
subsidiaironder 1 tenlastegelegde mishandeling heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden ontslagen van rechtsvervolging omdat hij uit noodweer vuistslagen aan [slachtoffer 1] heeft uitgedeeld. Nu de term “mishandeling” deel uitmaakt van de tenlastelegging, vat de rechtbank dit verweer op als bewijsverweer en zal het bespreken in de bewijsmotivering.
enhet hoofd
enhet lichaam heeft geslagen en/of gestompt en een kopstoot heeft gegeven tegen het hoofd van [slachtoffer 1] .
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
mishandeling
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelde
10.De toegepaste wettelijke voorschriften
11.De beslissing
mishandeling;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
160 (honderd en zestig) uren;
40 (veertig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de
proeftijd van 2 (twee) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
80 (tachtig) dagen, subsidiair 20 (twintig) dagen;