Verzoekster exploiteert een zand- en grindbedrijf zonder de vereiste Wet natuurbescherming (Wnb)-vergunning. Gedeputeerde Staten van Overijssel legden haar een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Verzoekster betwist dat zij een vergunning nodig heeft omdat zij meent bestaande stikstofrechten te bezitten op grond van eerdere Hinderwet- en milieubeheer-vergunningen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat niet vaststaat of de juiste referentiedatum voor stikstofdepositie is gehanteerd en of verzoekster daadwerkelijk over relevante emissierechten beschikt. Ook is onduidelijk of de feitelijke werkzaamheden binnen de bestaande vergunningen vallen, waardoor de rechtmatigheid van het dwangsombesluit onzeker is.
Gezien de aanzienlijke economische nadelen voor verzoekster bij handhaving van de last en het belang van derden bij natuur- en landschapsbescherming, weegt het belang van verzoekster voorlopig zwaarder. Daarom wordt het bestreden besluit geschorst tot zes weken na uitspraak op het beroep. Verzoekster krijgt vergoeding van griffierecht en proceskosten toegewezen.