Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
- de feiten van de zaak met parketnummer 08/292650-20 als feiten 1, 2, 3, 4 en 5;
- de feiten van de zaak met parketnummer 08/242557-19 als feiten 6 en 7;
- het feit van de zaak met parketnummer 08/126480-19 als feit 8.
een geldbedrag van 859,58 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of voornoemd geldbedrag, althans enig goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door het onbevoegd gebruik maken van de Digi-D code van voornoemde [slachtoffer 5] en/of om (vervolgens) het rekeningnummer voor de (Wajong) uitkering te veranderen in een rekeningnummer op naam van hem, verdachte, (te weten: [rekeningnummer 1] .) en/of (vervolgens) voornoemd geldbedrag over te boeken naar zijn, verdachtes, (huidige) rekeningnummer (te weten: [rekeningnummer 2] );
3.De voorvragen
feit 2 zesde gedachtestreepjedat luidt “en/of in een situatie gebracht of gehouden die voor de gezondheid van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] schadelijk was of kon zijn” stelt de rechtbank vast dat deze zinssnede niet nader feitelijk is uitgewerkt. De tenlastelegging geeft niet weer met welk feitelijk handelen (of nalaten) verdachte [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] in een situatie heeft gebracht of gehouden die voor hun gezondheid schadelijk was of kon zijn. De rechtbank is aldus van oordeel dat dit onderdeel van de tenlastelegging niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 261 Sv Pro en verklaart de dagvaarding in zoverre partieel nietig.
4.De bewijsoverwegingen
strafrechtelijkgrenzen hebben overtreden. In dat verband acht de rechtbank ter inleiding het volgende van belang.
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De schade van benadeelden
9.De toegepaste wettelijke voorschriften
10.De beslissing
gevangenisstrafvoor de duur van
2 (twee) maanden;
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezenverklaarde feit tot
betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 100,-,te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 november 2018 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 2 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;