Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te Balkbrug,
1.de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,gevestigd te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde 2],
wonende te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde 3],
wonende te [vestigingsplaats] ,
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een werknemer die begin 2019 op initiatief van zijn werkgever twee vrachtwagenrijbewijzen behaalde. Bij zijn uitdiensttreding in november 2019 trok de werkgever een bedrag van € 2.720,00 aan opleidingskosten af van de nog uit te betalen overuren. De werknemer vordert terugbetaling van dit bedrag, stellende dat er geen afspraken over terugbetaling waren gemaakt en dat de werkgever de kosten niet daadwerkelijk had voldaan.
De werkgever verweert zich met een arbeidsovereenkomst waarin een terugbetalingsregeling is opgenomen en stelt dat de kosten zijn betaald via verrekening met een derde partij. Tevens beroept zij zich op verrekening van andere bedragen die de werknemer zou moeten betalen. De kantonrechter stelt vast dat niet is komen vast te staan dat de werknemer de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend en dat de werkgever onvoldoende bewijs heeft geleverd dat de opleidingskosten zijn betaald. De verklaring van een derde partij ondersteunt de stelling van de werknemer dat de kosten niet zijn voldaan.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet gerechtigd was het bedrag van € 2.720,00 in mindering te brengen op de overuren. Wel wordt een bedrag van € 324,21 aan schade dat de werknemer erkent te moeten betalen, verrekend. Kosten voor fysiotherapie als gevolg van een bedrijfsongeval zijn voor rekening van de werkgever. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van het netto equivalent van € 2.720,00 bruto minus € 324,21, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van opleidingskosten minus erkende schade, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.