Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
wonende te [woonplaats] ,
1.de vennootschap onder firma [gedaagde 1] ,gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
[gedaagde 2],
wonende te [woonplaats] ,
[gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
Rechtbank Overijssel
Eiser, een eenmanszaak actief in tuin- en landschapsinrichting, leverde materialen aan gedaagden, een hoveniersbedrijf, en factureerde €11.567,60. Na uitblijven van betaling stuurde eiser een aanmaning met een betalingstermijn van zeven dagen en stelde buitengerechtelijke incassokosten in het vooruitzicht.
Gedaagden betaalden de hoofdsom pas op 24 september 2020, na een e-mailwisseling waarin zij om uitstel tot 15 oktober vroegen. Eiser bracht daarop incassowerkzaamheden in gang. De kantonrechter oordeelde dat gedaagden vanaf 29 mei 2020 wettelijke handelsrente verschuldigd zijn, aangezien zij in de uitoefening van een beroep handelden en de betalingstermijn was verstreken.
Verder stelde de kantonrechter vast dat gedaagden op 24 september 2020 al in verzuim waren, zodat de buitengerechtelijke incassokosten terecht zijn opgelegd. De gevorderde administratiekosten werden afgewezen omdat deze onder de buitengerechtelijke kosten vallen. Gedaagden werden veroordeeld tot betaling van €1.209,04 plus wettelijke handelsrente vanaf 4 december 2020 en de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €1.209,04 plus wettelijke handelsrente en proceskosten, administratiekosten worden afgewezen.