ECLI:NL:RBOVE:2021:1746
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen intrekking bijstandsuitkering wegens vermeende gezamenlijke huishouding gegrond verklaard
Eiser ontving een bijstandsuitkering volgens de kostendelersnorm omdat hij samenwoonde met zijn broer en moeder. Na het overlijden van de moeder op 3 oktober 2019 heeft verweerder de uitkering ingetrokken en teruggevorderd vanaf 4 oktober 2019, omdat er volgens verweerder sprake was van een gezamenlijke huishouding met de broer.
Verweerder baseerde dit op een huurcontract en een verklaring dat eiser boodschappen van het inkomen van zijn broer zou halen. Eiser betwistte dat er sprake was van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling die nodig is voor een gezamenlijke huishouding. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende feitelijk onderzoek heeft gedaan en onvoldoende bewijs heeft geleverd dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering wordt vernietigd.