Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
1.Het onderzoek op de terechtzitting
2.De tenlastelegging
nadat zij waren aangevoerd en/of afgevoerd op of nabij het adres [adres] ( [plaats] ).
3.De voorvragen
4.De bewijsmotivering
1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Allereerst zijn 54 schapen die op de stallijst stonden vermeld, niet fysiek op het bedrijf van verdachte aangetroffen en waren zij op 14 januari 2019 dus niet aanwezig. Van geen van deze schapen stond een afvoer- of doodmelding geregistreerd. [15] Verder stonden 54 op het bedrijf aanwezige schapen niet binnen zeven dagen nadat de schapen op het bedrijf waren aangevoerd met een aanvoermelding in het I&R systeem geregistreerd. [16] 49 van deze schapen waren te laat aangemeld [17] en 5 van deze schapen stonden in zijn geheel niet als aangemeld geregistreerd. [18] De afvoer van 106 afgevoerde schapen stond eveneens niet tijdig in het systeem geregistreerd. [19] Het betreffen 28 afvoermeldingen in 2018 en 78 afvoermeldingen in 2017.
Voorts was de dood van twee schapen niet tijdig in het I&R systeem gemeld. Immers waren de op 31 december 2018 gestorven schapen pas op 11 januari 2019 geregistreerd in het systeem. [20]
5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
- feit 2:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, van de Wet dieren juncto artikel 3.6, eerste lid, 3.10, eerste lid onder b, tweede lid, van het Besluit houders van dieren;
- feit 3:artikel 1 onder Pro 2o van de Wet op de economische delicten juncto artikel 96 Gezondheids Pro- en Welzijnswet voor dieren juncto artikel 3 van Pro het Besluit identificatie en registratie van dieren juncto de artikelen 38d, tweede, derde en zevende lid en artikel 39 van Pro de Regeling identificatie en registratie van dieren.
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onderdeel l, van de Wet dieren, opzettelijk begaan.
6.De strafbaarheid van verdachte
7.De op te leggen straf of maatregel
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
9.De beslissing
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 96 Gezondheids Pro- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 2.2, tiende lid, onder l, van de Wet dieren, opzettelijk begaan;
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
100 (honderd) uren,subsidiair
50 (vijftig) dagen hechtenis,
niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende voorwaarde niet is nagekomen:
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
mr. D. ten Boer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I. Potgieter, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2021.