Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2021:1330

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
08/095166-20
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 OpiumwetArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel cocaïnehandel in Zwolle

De rechtbank Overijssel heeft op 30 maart 2021 uitspraak gedaan in een ontnemingsprocedure tegen een veroordeelde cocaïnedealer uit Zwolle. De officier van justitie had gevorderd dat de veroordeelde een bedrag van €187.360,50 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat moest afstaan. De veroordeelde was eerder onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van het handelen in strijd met de Opiumwet.

Tijdens de procedure heeft de raadsman van de veroordeelde primair betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een onzorgvuldig en niet-objectief financieel onderzoek. Dit werd onder meer onderbouwd met een verklaring van een getuige die in een eerder verhoor over een andere persoon had verklaard. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat het onderzoek objectief en zorgvuldig was uitgevoerd.

De rechtbank nam de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel over, gebaseerd op vijf meetmomenten van zes dagen en een extrapolatie naar een jaar. Hierbij werd rekening gehouden met het aantal deals per dag, de prijs van kleine en grote bolletjes cocaïne, en de kosten voor inkoop en de loopjongen. De totale bruto jaaromzet werd geschat op €323.207,50, met aftrek van inkoopkosten en kosten voor de loopjongen resulteerde dit in een wederrechtelijk verkregen voordeel van €195.520,50.

Na verrekening van eerder verbeurde bedragen en goederen resteerde een betalingsverplichting van €182.804,97. De rechtbank wees de vordering toe en bepaalde een maximale gijzelingstermijn van 1080 dagen voor het geval de veroordeelde niet aan zijn betalingsverplichting voldoet.

Uitkomst: De veroordeelde moet €182.804,97 betalen aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met een gijzelingstermijn van maximaal 1080 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/095166-20
Datum vonnis: 30 maart 2021
Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende op de vordering op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] .

1.De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 27 augustus 2021 gevorderd dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 187.360,50.

2.De procedure

De vordering is behandeld op de openbare terechtzittingen van 10 september 2020 en
16 maart 2021. De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. G. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, is op die terechtzittingen verschenen en op de vordering gehoord.
Op de terechtzitting van 16 maart 2021 heeft de officier van justitie – overeenkomstig zijn conclusie van repliek – gepersisteerd bij de vordering.
De raadsman heeft – in een conclusie van antwoord, een conclusie van dupliek en ter terechtzitting – primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering, subsidiair dat de vordering moet worden afgewezen en meer subsidiair dat het bedrag van de vordering moet worden gematigd en er geen gijzeling aan de betalingsverplichting moet worden verbonden.

3.De ontvankelijkheid

De raadsman heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Daartoe is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het financieel onderzoek door de politie onzorgvuldig en niet objectief is geweest. In dat verband wordt verwezen naar de verklaring die getuige [getuige] op 21 oktober 2020 bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, waaruit naar voren komt dat deze getuige in een eerder verhoor niet over veroordeelde maar over een andere derde heeft verklaard. Ook is in dit verband gesteld dat niet alle getuigen dezelfde vragen zijn gesteld en dat de vraagstellingen suggestief waren.
De rechtbank constateert met de raadsman dat de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris een verklaring heeft afgelegd die zijn eerdere verklaring in een ander daglicht stelt. Dat brengt echter niet zonder meer mee dat aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van andere getuigen in het dossier – met name de afnemers van cocaïne – moet worden getwijfeld. Dat niet aan iedere getuige dezelfde vragen zijn gesteld, maakt dit niet anders.
De overige door de raadsman bij conclusie van antwoord naar voren gebrachte omstandigheden vat de rechtbank op als betrekking hebbend op de inhoud van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel en zullen in dat kader hieronder worden besproken.
Voor zover deze omstandigheden mede ten grondslag zijn gelegd aan het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de rechtbank van oordeel dat al deze omstandigheden, in onderling verband en in samenhang beschouwd, niet tot het oordeel kunnen leiden dat het onderzoek niet objectief dan wel onzorgvuldig is geweest. Het verweer wordt daarom ook verworpen.

4.De beoordeling van de vordering

4.1
Veroordeling
De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 24 september 2020 veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de
Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd, en het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod. Dit vonnis is thans onherroepelijk en heeft betrekking op het bezit van en de handel in cocaïne.
4.2
De beoordeling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel
In een rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 11 augustus 2020 is een berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gemaakt aan de hand van vijf meetmomenten van telkens zes dagen betreffende de contacten met een afgetapte dealertelefoon. [1] Naast de geschatte opbrengsten zijn ook de geschatte kosten in kaart gebracht.
Opbrengsten handel in cocaïne
Uit de metingen is gebleken van een gemiddelde van 32,2 deals per dag – na een correctie in het voordeel van veroordeelde ten aanzien van meetmoment 5 – en dat is vervolgens geëxtrapoleerd naar de totale dealperiode van één jaar (365 dagen). Daarbij is ervan uitgegaan dat veroordeelde zeven dagen per week actief was en dat per deal 1 bolletje cocaïne werd verkocht.
Veroordeelde en mededader [mededader] hebben verklaard dat er kleine en grote bolletjes werden verkocht voor € 25,- respectievelijk € 50,-, en dat de meeste verkopen kleine bolletjes betroffen. Dat laatste vindt ook bevestiging in de analyse van de telefoontaps. In de berekening is er op grond hiervan uitgegaan dat 90 procent van de verkopen kleine bolletjes betroffen en 10 procent grote bolletjes.
De opbrengst bedraagt op jaarbasis op grond van die berekening:
90% kleine bolletjes = 28,98 afnemers per dag x € 25,- = 724,50 x 365 = € 264.442,50
10% grote bolletjes = 3,22 afnemers per dag x € 50,- = 161 x 365 =
€ 58.765,00 +
Totaalopbrengst = € 323.207,50
De rechtbank acht voornoemde berekening aannemelijk en zal deze overnemen.
De raadsman van veroordeelde heeft in dit verband bepleit dat er ten onrechte vanuit wordt gegaan dat verdachte 365 dagen heeft gedeald en dat hij al die tijd het betreffende, afgetapte, telefoonnummer zou hebben gebruikt. De rechtbank constateert dat bij vonnis van 24 september 2020 ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat hij gedurende een periode van (ruim) een jaar heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank zal daarom bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een periode van 365 dagen uitgaan. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat veroordeelde niet iedere dag in dat jaar heeft gehandeld in cocaïne, kan dat niet afdoen aan voornoemde berekening, nu daarin op basis van de beschikbare gegevens uit vijf meetmomenten wordt uitgegaan van een
gemiddeldaantal deals dat per dag werd gesloten.
De stelling van de raadsman dat het niet is uit te sluiten dat verdachte de in de kluis aangetroffen cocaïne als één blok zou c.q. had willen verkopen, is door de verdediging niet nader onderbouwd, terwijl uit de tapgegevens nu juist naar voren komt dat er veelvuldig kleine hoeveelheden werden verhandeld. Deze stelling wordt door de rechtbank derhalve verworpen.
Kosten inkoop cocaïne
In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is rekening gehouden met de kosten die veroordeelde heeft gemaakt voor de inkoop van cocaïne. Daarbij is uitgegaan van de maximumprijs die in 2018 gangbaar was volgens de prijzenlijst van het Team Synthetische Drugs Intel & Expertise. Voor een kilogram cocaïne werd toen (maximaal) € 34.000,- betaald. Verder is op basis van informatie van het Trimbos Instituut gerekend met de gemiddelde concentratie van versneden cocaïne van 69%.
Op grond van de hiervoor weergegeven verkoopcijfers is berekend dat veroordeelde per jaar 5.171,32 gram versneden cocaïne nodig had om aan de vraag te kunnen voldoen. Gelet op het percentage versnijdingsmiddelen betekent dit dat veroordeelde 3.568 gram pure cocaïne heeft ingekocht. Met een inkoopprijs van € 34.000,- per kilo levert dit in totaal aan inkoopkosten een bedrag op van 3,568 x € 34.000,- = € 121.312,-.
De raadsman heeft in zijn conclusie van antwoord betoogd dat veroordeelde de cocaïne niet versneed, maar in pure vorm verkocht. De rechtbank acht dit niet aannemelijk nu veroordeelde zelf bij de politie heeft verklaard dat hij de cocaïne versneed [2] en er gedurende het onderzoek ook versnijdingsmiddel (Levamisol) is aangetroffen in een kluis waartoe veroordeelde toegang had. De rechtbank is van oordeel dat de in het rapport gekozen uitgangspunten op goede gronden zijn gekozen en acht deze aannemelijk.
Kosten loopjongen [mededader]
Ook zijn er in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kosten in mindering gebracht die veroordeelde vanwege zijn loopjongen (mededader [mededader] ) heeft gemaakt. Op basis van tapgegevens van de dealertelefoon is er in de berekening van uitgegaan dat [mededader] niet iedere dag cocaïne heeft gedeald, maar op 90 procent van de dagen.
Op grond van de verklaring van [mededader] dat hij
‘af en toe 50 euro per dag, soms 100 euro’verdiende, is in de berekening ten slotte voor een gemiddeld loon van [mededader] van € 75,- gekozen. Ook is er overeenkomstig de verklaring van veroordeelde voor € 10,- per dag aan brandstofvergoeding meegenomen in de berekening.
De rechtbank heeft mededader [mededader] bij vonnis van 24 september 2020 veroordeeld voor, kortgezegd, het dealen van cocaïne gedurende een periode van 83 dagen en zal daarom – in afwijking van voornoemd rapport – in haar berekening van de bewezen verklaarde periode uitgaan. De overige uitgangspunten in het rapport acht de rechtbank aannemelijk en deze zullen dan ook worden overgenomen.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank als volgt tot een schatting van de kosten die veroordeelde heeft gemaakt met betrekking tot de arbeid van [mededader] .
83 dagen x 90 procent = 75 dagen;
75 dagen x € 75,- loon [mededader] = € 5.625,-
75 dagen x € 10,- brandstofvergoeding =
€ 750,-
Totale kosten [mededader] =
€ 6.375,-
Slotsom
Het voorgaande leidt tot de volgende eindberekening:
Bruto jaaromzet € 323.207,50
Kosten inkoop cocaïne € 121.312,00 –
Kosten loopjongen [mededader] € 6.375,00 –
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 195.520,50
De rechtbank stelt op grond van wettige bewijsmiddelen de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op
€ 195.520,50.

5.Draagkracht

Meer subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering te matigen en daarbij geen gijzeling te bevelen – in het geval veroordeelde in gebreke blijft – in verband met de draagkracht van verdachte.
In het ontnemingsgeding kan de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. [3] Naar het oordeel van de rechtbank is dit gesteld noch gebleken; verdachte is een thans 34-jarige man die, ondanks fysieke problemen, in potentie een jarenlang werkzaam leven voor zich heeft en zodoende in de toekomst inkomen zal kunnen genereren. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de betalingsverplichting te matigen. Zij ziet evenmin aanleiding om het middel van gijzeling – in het geval veroordeelde niet aan de betalingsverplichting voldoet – achterwege te laten.

6.De vaststelling van de betalingsverplichting

De rechtbank heeft bij vonnis van 24 september 2020 – onder meer – geldbedragen (€ 9.885,20, 500 DKK, € 1.493,10 en € 70,-), een auto (Peugeot 207) en een iPhone S verbeurd verklaard. 500 DKK vertegenwoordigen op basis van de huidige wisselkoers een waarde van € 67,23. Aangezien omtrent de waarde van de auto en de iPhone niets door partijen is aangevoerd, zal de rechtbank deze schatten op € 800,- (voor de auto, conform de beslaglijst d.d. 9 februari 2021) en € 400,- (voor de iPhone). De rechtbank zal bij het bepalen van de betalingsverplichting deze bedragen, opgeteld € 12.715,53, op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering brengen, zodat een bedrag van € 182.804,97 resteert.
De rechtbank is zodoende van oordeel dat aan de veroordeelde de verplichting moet worden opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 182.804,97.

6.De wettelijke voorschriften

De oplegging van de maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van
  • bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Berlo, voorzitter, en mrs. A. van Holten en
C.A. Peterzon, rechters, in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2021.
Buiten staat
Mr. Van Berlo is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel, onderdeel van het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON12020003 (Simba).
2.Dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer ON12020003 (Simba), p.218.
3.Hoge Raad 27 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7447